Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prov. wet afgeleid dat de vraag, hoever in elk bizonder geval het provinciaal belang reikt '), ter beslissing is gelaten aan de Prov. Staten en de Kroon, door H. R. 3 Juni 1907 W. 8561 p. 1—2, R.spr. 206 § 27, P. v. J. 671 (contra O. M.); H. R. 28 Okt. 1901 W. 7675, R.spr. 189 § 13, v. d. Hon. G. Z. 46 p. 225, P. v. J. 1901 no. 91, W. B. A. 2740, en H. R. 23 Mei

!) Hoever het provinciaal belang reikt. Strikt genomen zou dit kunnen beteekenen: wat noodig is in het prov. belang, als eerst vaststaat dat dit er bij betrokken is. Dit zou m. i. zeer wel zijn overeen te brengen met art. 140 Prov. wet (ontstaan uit art. 131 lid 2 Grw. 1848), en dan zou de jurisprudentie van den II. R. op dit artikel geheel overeenstemmen met die op art. 135 Gem.wet, zie het volgend no. 5. Nu echter de H. R. zijn beslissing dat niet kan onderzocht of de verordening treedt op Rijks-terrein aldus motiveert, moet wel zijn bedoeld dat, als de verordening een zaak van Rijksbelang mocht regelen, zij niet een provinciaal belang zou betreffen, en dat ook de beoordeeling dezer laatste kwestie, ingevolge art. 140 steeds is overgelaten aan het eindoordeel van Prov. Staten. Dit komt vooral uit, waar uitdrukkelijk was beweerd dat de verordening geen prov. belang betrof. — In zoover is er dan incongruentie in de motiveering (niet in de beslissingen zelf) tusschen deze jurisprudentie en die op art. 135 Gem.wet, m.i. niet gerechtvaardigd door de verschillende redaktie der artikelen. Ten aanzien van gemeenteverordeningen toch neemt de II. R. (zie no. 5) aan dat den Raad wél is overgelaten het eindoordeel over de vraag of een verordening noodig is in het gemeente-belang, d.w.z. hetzelfde wat de tekst van art. 140 Prov. wet meebrengt voor prov. verordeningen, — doch niet de vraag of zij dat gemeente-belang betreft. Echter zijn de gevallen, waarin de II. R. zijn in dit no. 4 geciteerde beslissingen gaf, niet geheel gelijkvormig aan die, waarin hij een gemeenteverordening als niet betreffend het gemeentebelang onverbindend achtte. — Overigens gaat de zienswijs niet op, waarvan de II. R. stilzwijgend schijnt uit te gaan, als zou de bewering dat een prov. verordening treedt in hetgeen van Rijksbelang is, op zich zelf al insluiten dat zij niet tevens het prov. belang kan betreffen. En daarom behoeft uit weigering van een onderzoek naar het eerste nog niet te volgen dat ook het tweede den rechter onttrokken moet geacht, mocht die vraag zich voordoen afgescheiden van de doelmatigheidskwestie, of een onderwerp beter thuis behoort bij den Rijkswetgever, Prov. Staten of Gem.Raad. Al zal dit wel niet licht voorkomen, toch heeft het opgemerkte hierom ook belang, omdat de zooeven gegispte motiveering van den II. R. reeds meermalen er toe leidde men deze jurisprudentie als wapen bezigde tegen die, vermeld in het volgend no. 5 sub c. Vgl. verder aldaar sub e.

Sluiten