Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiervóór. Maar, waar geen hooger regeling aanwezig is, heeft de rechter ook voor prov. verordeningen niet te onderzoeken of zij in het Rijksbelang treden. Immers de gedachte, voorzittend bij de makers van Grondwet, Prov.- en Gem.-wet, als zou er een bepaald terrein zijn aan te wijzen, eigenaardig behoorend respektievelijk bij Rijk, provincie en gemeente, is gebleken onjuist te zijn. Bij twijfel, en dat wil hier zeggen in de overgroote meerderheid der gevallen die zich voordoen, hangt in laatste instantie de afbakening van het wederzijdsche terrein enkel af van de beantwoording der vraag, wie op het gegeven oogenblik het best de materie in kwestie regelen kan; zie de hierboven aangehaalde schrijvers. Is dit zoo, zou het dan den rechter toekomen te beoordeelen, of de Rijkswetgever zeker onderwerp zich behoort aan te trekken? M. i. is deze vraag van doelmatigheid voor den rechter niet praejudicieel, omdat, al heeft haar beantwoording invloed op die der wettigheid, — een verordening, waarvan de onwettigheid enkel kan volgehouden op grond dat haar onderwerp beter door het R,ijk ware geregeld, toch als verbindend moet aangemerkt, zoolang zij niet is vernietigd; zie p. 464 hiervóór. En de zooeven bedoelde doelmatigheidsvraag moet wel zijn overgelaten aan het eindoordeel van het wetgevend gezag in zijn verschillende geledingen, als in den fegel alléén bij machte die vraag met voldoende kennis van zaken te overzien. Beslissing hiervan door den rechter, noodzakelijk naar diens persoonlijk inzicht van het algemeen belang, een inzicht, dat onwillekeurig afhankelijk kan zijn van partij-opvatting, — zou èn te kort doen aan het gezag van den wetgever, èn hem, rechter, soms brengen op algemeen politiek terrein. Dit nu kan niet worden geacht te strooken met den geest onzer instellingen; in sommige gevallen zou daardoor licht kunnen geschokt het noodzakelijke vertrouwen op 's rechters onpartijdigheid, en het is dan ook in hooge mate ongewenscht. Wegens deze ra. i. overwegende redenen zou, ook als de kwestie inderdaad praejudicieel voor den rechter moest heeten, zij toch als hem onttrokken zijn aan te merken; vgl. p. 234 (in no. 22). Het gevolg is dan hier dat de onwettigheid

Sluiten