Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en 3073 '). Zie ook T. S. en Red. in W. B. A; 3081. Sybenga's argumentum a contrario gaat m. i. evenmin op als zijn beroep op de zienswijs der Regeering, die de Prov.-wet indiende. Immers haar gevoelen is in die wet niet uitgedrukt, ook niet in een minder gelukkig gekozen redaktie, zoodat S.'s redeneering niet is uitlegging, maar aanvulling der wet, zij het dan in den geest van Thorbecke.

Vgl. ook G. de Vries Azn., De Wetgev. Magt der plaatselijke besturen, 2e ed. (1846) p. 38—39, die in het ontbreken eener hoogere wettelijke regeling het vermoeden gelegen acht dat het onderwerp niet betreft een hooger belang, een m.i. nogal gewaagde conclusie. — Vgl. verder Boers (p. 453 hiervóór geciteerd) P- H7—118 en 170—171, alsmede W. B. Reijnen in W. 8623 p. 3 kol. 3 2).

Het boven geciteerde arr. H. R. van 1907 gaat stilzwijgend uit van de leer dat een bepaling als art. 150 lid 2 Gem.wet vanzelf spreekt. Dit is ook de meening van Caroli in W. B. A. 2795, bestreden door Oppenheim, Ned. Gem. Recht, 3e ed. I p. 341 jis. p. 346—348. Als Oppenheim op dit punt ook J. Roëll (p. 356 hiervóór geciteerd) p. 123-126; Arntzenius in W. 7152 p. 4 kol. 2, en Schepel, Waterschapswetgeving p. 72. Vgl. Sybenga en W. B. A. hierboven geciteerd.

Een ander standpunt dan bij het arrest van 1907 nam de H. R. in, bij zijn jurisprudentie ten opzichte van gemeenteverordeningen

!) Waar de Red. 1.1. 110. 3073 het zoo voorstelt als bracht art. 150 lid 1 Gem.wet mee dat een verordening, deze bepaling overschrijdend, onverbindend is, drukt zij zich m.i. minder korrekt uit. Bij deze opvatting zou dit lid 1 strijden met lid 2. M.i. mag alleen gezegd dat zonder lid 2 uit lid 1 het onverbindende der verordening zou volgen.

2) Diens beschouwing vastknoopend aan Boers 1.1 p. 140, die overigens door R. wordt bestreden, en betreffende de taak van den administratieven rechter na invoering van het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv., schijnt mij toe, evenals die van Boers zelf, over het hoofd te zien dat onthouding van goedkeuring eener verordening op motief dat zij met de wet strijdt, ook al mocht dit motief onjuist zijn, daarom zelf nog geen overtreding der wet is; vgl. art. 84 van genoemd ontwerp.

Sluiten