Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is ter behartiging daarvan, is onttrokken aan het rechterlijk oordeel. — Deze jurisprudentie, neergelegd in de onder b—d na te noemen ai-resten, acht het woord „vereischt" in art. 135 van gelijke beteekenis als „betreffende" aldaar <), en stelt dit artikel inzoover op één lijn met art 140 Prov. wet, dat beide bepalingen overeenkomstig de Grondwet aan het verordenend gezag het eindoordeel laten over hetgeen wenschelijk en noodig is voor de belangen hunner eigen korporaties. Ygl. overigens no. 2 i. f. en de noot op p. 525. Zie ook no. 22 A in den aanhef.

b. De sub a bedoelde jurisprudentie is, wat betreft art. 150, geciteerd bij Léon-Vos no. 1 en bij Léon-Heyman, beide op dit artikel. (Voor H. R. 8 Mei 1898 t a. p., lees: 1899; voor H. R. 30 Sept. 1903 W. 7919, lees: H. R. 30 Maart 1903 W. 7910). Daarbij zijn nog te voegen; H. R, 8 Maart 1909, vermeld hieronder p. 533; H. R. 24 Juni 1907 (hierboven sub a geciteerd); H. R. 22 April 1907 W. 8535; H. R. 6 Nov. 1905 W. 8293 p. 2; H. R. 9 Okt. 1905 W. 8280 p. 1; H. R. 17 April 1905 W. 8208 (contra O. M.) voor het geval dat de vroegere Rijkswet een speciale regeling bevat, en de latere gem.-verordening een algemeene, implicite die der wet inbegrijpend. Zie over dit laatste arrest W. B. A. 2945 p. 4 sub Correspondentie, waarbij vgl. G.st. 2796 sub 12°. — Verder H. R. 27 Febr. 1905 W. 8185; H. R. 12 Juni 1899 W. 7306; H. R. 18 Febr. 1889 W. 5679; H. R. 27 Okt. 18*84 W. 5088; H. R. 17 Juli 1871 W. 3361; H. R. 20 Febr. 1866 W. 2777; H. R. 16 Apr. 1862 W. 2372 p. 1—2; IJ. R. 25 Maart 1862 W. 2369; H. R. 26 Juni 1861 W. 2288; H. R. 8 lebr. 1859 v. d. Hon. G. Z. 16 p. 62. — In anderen zin H. R. 10 Febr. 1871 W. 3296 (contra O. M.), over welk arrest zie J. Oppenheim in R. Mag. 6 (1887) nt. 2 op p. 105—106. Vgl. ook Red. (D. Léon) in G.st. 114 p. 1 kol. 2, bestreden door A. de Pinto 1.1. 115 p. 4 kol. 2.

Ten aanzien van verordeningen van vóór de Gem.wet zie de

!) Dit volgt vooral uit die arresten, welke, gelijk vroeger veelal geschiedde, in plaats van vóór alles uit te gaan van het slot van art. 135, de daar voorafgaande opnoeming van belangen behandelen, als ware zij limitatief.

Sluiten