Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 April 1872 W. 3461, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 228, G.st. 1089.

Vooral blijkt de opvatting van den H. R. uit die arresten, waarbij een verordening werd aangemerkt als niet te betreffen de in art. 135 genoemde belangen, gelijk dat van 29 Juni 1891. Ygl. ook de opmerking der Redaktie in W. 8747 p. 1 kol. 2.

H. R. 20 Nov. 1899 W. 7368 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 183 § 49, v. d. Hon. G. Z. 44 p. 362, P. v. J. 1899 no. 100, G.st. 2519, W. B. A. 2638 overwoog eerst in gelijken geest als de zooeven geciteerde jurisprudentie, dat de verordening in elk geval betrof de gemeente-huishouding. Echter liet het arrest daarop volgen dat geen wet deze omschrijft, dat haar grenzen worden bepaald, positief door het algemeen gemeente-belang, negatief door het Rijks- of prov.-belang, en dat de vraag of de verordening, zonder in strijd te komen met hooger wettelijk voorschrift, deze grenzen overschrijdt, ingevolge artt. 150 jo. 153 Gem.wet alleen staat ter beoordeeling van het administratief gezag. — Oppenheim, Ned. Gem.recht, 3e ed. I p. 336—350, die' betoogt dat artt. 135 en 150 lid 1, het eerste positief, het tweede negatief, van de gem.huishouding spreken, met gevolg dat art. 150 lid 2 vanzelf ook toepasselijk is voor art. 135 '), — acht in het arrest van 1899 zijn leer gehuldigd. Insgelijks in W. 8411 p. 3 kol. 3 A. A. de Pinto, die het arrest mede heeft gewezen, — en Schepel, Waterschapswetgeving p. 65 in de noot. In dit stelsel had echter de H. R. de hier eerstgeciteerde overweging niet mogen geven 2), zoodat

J) Vgl. nog over artt. 135 j". 150 Gem.wet Schepel 1.1. p. 72, en diens p. 363 hiervóór geciteerde diss. p. 35 in de noot jlfi p. 223—224. Zoo ook G.st. 2380 p. 1 en 2671 p. 1. Verder v. d. Meulen (p. 349 hiervóór geciteerd) p 98—112, 110—136, 139—145, 287—288, en J. H. Larberton, De gemeente als rechtsorgaan in haar verhouding tot den Staat, diss. Gron. 1900 p. 7—31 p. 150— 162 en 171—178. Zie ook de daar verder genoemden, Boers (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 108—118, 126—127, 170 en Caroli in W. 8752 p. 3. — Omtrent Oppenheim's beroep op de Mem. van Toel. bij art. 150 worde opgemerkt dat deze niet weergeeft wat de wetgever in de wet wilde schrijven, maar de gedachte, die voor hem motief was tot hetgeen hij bepaalde. Aan die gedachte, zelf niet neergelegd in de wet, zijn wij niet gebonden. Vgl. ook Carot.i in W. B. A. 2795.

2) Zoo ook Garoi.i in W. B. A. 2795. Zie een soortgelijke inconsequentie in het arr. II. B. van 20 Febr. 1866, vermeld hierna in no. 10.

Sluiten