Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men — ontbrak de Pinto's verklaring — geneigd zou zijn te vragen, of in hetgeen het arrest verder laat volgen, met „deze grenzen" niet zijn bedoeld: deze laatste grenzen, d. w. z. die door art 150 lid 1 aangegeven, waarvan intusschen in het toen berechte geval geen kwestie was. — Ygl. over het arrest van 1899 ook W. B. A. 2805 in de noot.

De hier vermelde leer van Oppenheim dat artt. 150 en 135 elkaar dekken, gaat m.i. niet op. Immers omvat de publiekrechtelijke huishouding der gemeente niet de partikuliere belangen harer inwoners '), en een regeling daarvan wordt wèl implicite door art. 135, doch niet door art. 150 verboden. Zie in dezen geest ook G. G. v. d. Hoeven (p. 349 hiervóór in de noot geciteerd) nt. 2 op p. 52—53, en Red. in W. B. A. 2989, waarbij vgl. no. 3017 2). Wel kan er soms twijfel rijzen of zeker onderwerp

!) In tegenstelling met hun belangen als gemeentenaren, zie W. B. A. in den tekst geciteerd.

2) Met haar op dit punt m. i. juiste betoog is, dunkt mij, in strijd de bewering derzelfde Red. in W. B. A. 3048 als zou nooit zijn te bewijzen dat een gem.verordening niet betreft de huishouding der gemeente, zoodat de Regeering nooit op dien grond de verordening zou mogen vernietigen. Zie voorbeelden van vernietiging door de Kroon wegens bemoeiing met partikuliere belangen bij v. d. Meulen 1.1. p. -102, 107 nt. 2, 113—114. Vgl. ook het slot van no. 12 bij Léon—Vos op art. 135 Gem.wet. Een ander voorbeeld van gelijke bemoeiing zou de p. 533 hierboven vermelde procedure voor Rb. Amst. 16 Okt. 1902, Hof Amst. 23 Dec. 1902 en H. R. 30 Maart 1903 geven, als de uitlegging der verordening door de Rechtbank juist ware. — v. d. Meulen p. 97—112 is van gelijke meening als de zooeven aangeduide van W. B. A. 3048. Bij hem is dit niet inconsequent, omdat hij, evenals de meesten (vgl. de hierboven p. 535 nt. 1 geciteerden) geen rekening houdt met hetgeen in W. B. A. 2989 is uiteengezet. — Overigens is de bestrijding van het Kon. Besl. van 24 Sept. 1907 Stbl. 250 in W. B. A. 3048 inzoover gewettigd, dat dit K. B. niet slechts onderzocht of de verordening het gemeente-belang betrof, maar ook of zij daarvoor wenschelijk was, wat met de gemeentelijke autonomie kwalijk schijnt overeen te brengen. Want niet, zooals W. B. A. 1.1. onderstelt, het algemeen Rijksbelang, maar het bizonder belang der betrokken gemeente had de Regeering hier kennelijk voor oogen. Zie in dien zin G.st. 2927 sub lü. — Vgl. ook ter zake van verordeningen krachtens art. 4 no. 2 der Hinderwet (tekst in K. B. 15 Dec. 1890 Stbl. 222; vgl. art. 4 no. 3: wet 24 Juni 1901 Stbl. 101, art. 1). H. in

Sluiten