Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raakt het gemeente-belang dan wel enkel partikuliere belangen; een voorbeeld van zulken twijfel biedt juist de in W. B. A. 2989 besproken dwang tot winkelsluiting. Maar dat de grens moeielijk kan zijn te trekken, bewijst niet dat zij er niet is. — In het hier aangeduide opzicht lost zich de vraag naar de competentie van den Raad krachtens art. 135 Gem.wet niet op in een doelmatigheidskwestie, en is rechterlijk onderzoek dan ook niet misplaatst; vgl. ook hieronder p. 539—540. Dit rechterlijk onderzoek kan althans in sommige gevallen een heilzaam tegenwicht geven tegen al te bemoeizieke inmenging van het verordenend gezag in- de partikuliere aangelegenheden der burgers.

d. Dat de rechter, geroepen na te gaan of een gemeenteverordening betreft een der in art. 135 Gem.wet genoemde belangen,

— zich heeft te onthouden van het onderzoek of zij dienstig of noodig is voor dit belang, is aangenomen bij de hier volgende beslissingen:

H. R. 17 Juni 1901; H. R. 14 Nov. 1898; H. R. 27 Dec. 1897; H. R 6 Dec. 1897, deze alle reeds vermeld hierboven p. 534. Evenzoo H. R. 16 Nov. 1885 W. 5238, R.spr. 141 § 28, v. d. Hon. G. Z. 35 p. 344, G.st. 1782 en 1796 (1774), W. B. A. 1911. Dit arrest overwoog dat de vraag of een gem.-verordening, wat haar doel ook zij, inderdaad is in het belang der openbare gezondheid, niet staat ter beslissing der rechterlijke macht, omdat haar ontkennende beantwoording alléén zou kunnen leiden tot het besluit dat de verordening niet is overeen te brengen met het algemeen belang, maar niet zou bewijzen haar strijd met de wet. In gelijken zin ook H. R. 17 Dec. 1867 W. 2971 p. 2 kol. 2—3, v. d. Hon. G. Z. 23 p. 374, G.st. 854. W. B. A. 975,

— waarbij tevens voor de vraag of de verordening de open-

G.St. 2904 sub 11°, wiens betoog misschie.i ist -«r die m.i.

wat het resultaat betreft, gelijk heeft, omda. t . igm rsi_

slechts mag uitgeoefend op bepaalde gronden, waai.oe m.' niet behoort het wenschelijke der verordening voor de plaatselijke belangen, die het bedoelde art.. 4 op het oog heeft, zoodat de bepaling op dit punt de eindbeslissing laat aan den Raad. Vgl. echter Oppenheim, 1.1. I p. 109—118 jo. II p. 452.

Léon: Rechtspraak 3e Druk, Deel II, atl. 1 34*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten