Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bare gezondheid betrof, genoegen werd genomen met de motiveering der verordening op dit punt. Verder H. R. llFebr. 1862 W. 2356, R.spr. 70 § 24, v. d. Hon. G. Z. 19 p. 66, G.st. 547, W. B. A. 668, met beroep op art. 11 wet Alg. Bep. — Zie ook Hof Arnhem 7 Sept. 1892 W. 6259, G.st. 2152, W. B. A. 2271; Rb. Amst. 14 Juni 1898 W. 7279, P. v. J. 1898 no. 87, G.st. 2502, en Rb. Haarlem 12 Juli 1898 W. 7146, P. v. J. 1898 no. 74, bevestigend Ktg. Purmerend 24 Maart 1898 W. 7108, P. v. J. 1.1., W. B. A. 2556.

Bij deze jurisprudentie is nog te vergelijken de vroegere, waarbij de H. R. implicite besliste dat de noodzakelijkheid eener gemeenteverordening niet in aanmerking komt voor haar toepassing door den rechter, al was die noodzakelijkheid naar de redaktie van een [sedert vervallen] Kon. Besl. ') ondersteld als voorwaarde voor 's Raads competentie. — In dien zin H. R. 9 Nov. 1859 W. 2117 p. 1—2, G.st. 427; H. R. 27 April 1859 W. 2065, R.spr. 62 § 15, v. d. Hon. G. Z. 16 p. 123, G.st. 401; H. R. 3 Maart 1857 W. 1875, R.spr. 55 § 34, v. d. Hon. Bel. 7 p. 239, G.st. 306. Zie ook H. R. 30 Aug. 1842 W. 342, R.spr. 11 § 58, v. d. Hon. G. Z. 3 p. 211. — Vgl. hierna no. 22 A sub b (1°).

e. Onderscheidde de H. R. in de hier sub c en d vermelde arresten, evenals in het hiervóór no. 3 sub a genoemde, tusschen het betreffen van zeker belang en het dienstig zijn voor dat belang, — in gelijken geest deed hij bij die van 1863, (1888) en 1892, geciteerd op p. 184 en 254; vgl. ook p. 364 sub /«. Bedoelde onderscheiding wordt in het algemeen aanvaard door Oppenheim 1.1. p. 346, al meent hij dat ze hier niet ter zake doet wegens art. 150 lid 2 Gem.wet; vgl. hierboven p. 535. Er tegen verklaart zich v. d. Meülen 1.1. p. 141—145. Deze gispt verder de in de concl. O. M. vóór het arrest van 1885 nog gemaakte distinktie tusschen hetgeen in zeker belang is en hetgeen voor dat belang wordt vereischt. Hij vergeet dat iets wenschelijk kan zijn voor een bepaald doel, zonder daartoe noodzakelijk te wezen, omdat het doel ook op een andere wijze zou kunnen bereikt. Deze beide Tj Art. 3 K. B. 21 Mei 1827 Stbl. 25.

Sluiten