Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de kwestie of de hier bedoelde strijd aanwezig is, acht de jurisprudentie overgelaten aan het eindoordeel van verordenend en controleerend administratief gezag. Zoo ten aanzien van gemeenteverordeningen, waarvan strijd met het algemeen Rijksbelang was beweerd, de volgende arresten, die zich mede beroepen op art. ] 50 Gem.wet, en dus de twee zooeven tegenover elkaar gestelde kwesties identificeeren:

H. R. 27 Okt. 1902 W. 7825, R.spr. 192 § 10, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 166, P. v. J. 193, G.st. 2671, W. B. A. 2792; H. R. 12 April 1897 W. 6952, R.spr. 175 § 54, v. d. Hon. G. Z. 43 p. 86, P. v. J. 1897 no. 53, G.st. 2383, W. B. A. 2503; H. R. 17 Dec. 1867, vermeld hierboven p. 537; H. R. 17 Dec. 1861 W. 2351, R.spr. 69 § 31, v. d. Hon. G. Z. 18 p. 459, G.st. 549, W. B. A.664;H.R. 5 Juni 1861 W. 2282, R.spr. 68 § 20, v. d. Hon. G. Z. 18 p. 244, G.st. 512, W. B. A. 632.

Vóór invoering der Gem.wet en onder heerschappij van art. 153 Grw. 1840 (art. 155 Grw. 1815) — uit welk nu niet meer bestaand ') voorschrift de gevolgtrekking kon gemaakt dat toen strijd met het algemeen belang vanzelf ook insloot strijd met dit Grondwetsartikel — in gelijken zin als de zooeven vermelde jurisprudentie: H. R. 27 Dec. 1842 W. 419, R.spr. 14 § 4, v. d. Hon. G. Z. 4 p. 202. Vgl. ook het slot van H. R. 24 Aug. 1841 W. 231, R.spr. 8 § 74, v. d. Hon. G. Z. 2 p. 213, R. B. 1841 p. 399 jis. p. 386—388, W. B. A. 53. — Evenals de H. R., Rb. 's Grav. 18 Sept. 1848 W. 954. — Was het algemeen belang uitgemaakt door het bevoegde gezag, dan moest dit grondslag zijn voor de beslissing van den rechter. Zoo H. R. 14 Febr. 1848 W. 969, R.spr. 29 § 71, v. d. Hon. G. Z. 7 p. 131; H. R. 17 Nov. 1847 W. 863, R.spr. 27 § 52 p. 237, v. d. Hon. G. Z. 6 p. 419, en H. R. 19 Juli 1847 W. 854, R.spr. 27 § 52 p. 228, v. d. Hon.

!) Opmerking verdient echter dat het weglaten van zoodanige bepaling in de Grondwet (1848 en 1887), metterdaad niets heeft veranderd. Dat verordeningen ook nu niet met het algemeen belang mogen strijden, wat trouwens vanzelf spreekt, volgt uit artt. 140 en 145 Grw. en de overeenkomstige voorschriften onzer organieke wetten, al behelzen deze niet met zooveel woorden een verbod o]) dit punt. Vgl. hierna no. 22 A sub b (1°).

Sluiten