Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beantwoording der vraag of (door de toen ter sprake komende bepaling) het huishoudelijk belang van het waterschap was overschreden, uitsluitend staat ter beoordeeling van Ged. Staten dio de verordening goedkeuren, en in beroep, van de Kroon. — In gelijken geest was gemotiveerd H. R. 20 Febr. 1866 W. 2775, R.spr. 82 § 20, v. d. Hon. G. Z. 22 p. 178, G.st. 761, verwijzend naar artt. 158 (nu vervallen) en 166 Prov.-wet, — bij welk arrest echter toch de vraag werd onderzocht of de polderverordening het waterschapsbelang gold. Zoo schijnt dit arrest euvel te gaan aan een gelijke innerlijke tegenstrijdigheid als dat van 20 Nov. 1899, p. 535 hiervóór geciteerd, zooals dit laatste arrest gemeenlijk wordt opgevat. — De zooeven bedoelde vraag of een polderverordening het waterschapsbelang geldt, werd eveneens onderzocht door H. R. 21 Okt. 1878 W. 4319, R.spr. 120 § 10, v. d. Hon. G. Z. 31 p. 136, W. B. A. 1546; H. R. 11 Nov. 1872 W. 3528, R.spr. 102 § 22, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 413; H. R. 14 Nov. 1871 W. 3408; R.spr. 99 § 18, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 65, G.st. 1060, en H. R. 8 Okt. 1862 W. 2427 p. 1 kol. 2—3, R.spr. 71 § 50, v. d. Hon. G. Z. 19 p. 249, R. B. 1863 p. 275. — Voor de hier in no. 10 bedoelde vraag (waarbij vgl. no. 5 sub e), — evenals voormelde arresten van 1862,1871,1872 en 1878: Schepel, AVaterschapswetgeving p. 65—66 '). Anders J. C. de Mabez O yens in Themis 1908 p. 621—626, hoofdzakelijk op grond der sedert 1895 geldende administratieve procedure voor de totstandkoming der verordeningen, z. i. waarborgen genoeg meebrengend om bedoeld rechterlijk toetsingsrecht overbodig te maken. M. i. kan dit argument, voorzoover het opgaat (vgl. mutatis mutandis

in deze zaak — anders dan in 1866 — geen ruimte te zijn geweest voor de bewering dat de bepaling voor zulke belangen strekte (wèl was gezegd dat zij indruischte tegen de rechten en belangen van ingelanden).

1) Het daar geciteerde arr. II. R. 11 Dec. 1893 W. 6450 betrof wel het toetsingsrecht voor polderkeuren wat betreft haar materieele wettigheid, doch niet ten opzichte der hier behandelde kwestie; dit arrest is nader te vermelden op art. 11 wet Alg. Bep. Het had, in verband met de tegengestelde concl. O. M., naast dat van 8 Okt. 1862, nog kunnen zijn aangehaald hiervóór p. 349 v. b.

Sluiten