Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

motiveering der arresten van het Hof v. Cass. in België d.d. 22 Okt. 1908 Pasicrisie beige 1908, Cour de Cass. p. 332 en 339. — Ygl. nog J. B. Kan in R. Mag. 17 p. 375, 383—384. — Afgezien van de hier aangeduide motiveering, steunen de gemelde beslissingen van den H. R. echter óók op het gemis aan civielen rechtsband tusschen partijen, op het niet bestaan van een civiel recht des eischers, tegenover wien de betrokken aangelegenheid staat aan het vrije goedvinden der administratie. Ygl. p. 433 v.o. — Zie hierbij Tezner, Zur Lehre p. 19—20, 30 v.o.—31, 110, en denzelfde in Geünhut's Zeitschr. 19 p. 328—330 ja. p. 400. Ygl. verder Lemayer in Grünhut's Zeitschr. 22 p. 459—460.

b. Bij bovenstaande jurisprudentie is ook te vergelijken de overweging van Rb. Maastr. 11 Jan. 1856 W. 1770, G.st. 254 dat het administratief gezag bij uitsluiting is geroepen om te beslissen of zeker werk van openbaar nut, op eigen grond door een gemeente opgericht, in het algemeen belang moet loeggeruimd.

Gelijke opvatting als in den aanhef van dit no. 11 aangeduid, is te vinden in het volgend vonnis: Het oordeel over de maatregelen door B. en W. genomen voor de veiligheid en liet onderhoud van openbare wegen, staat niet aan den burgerlijken rechter, zoodat niet-ontvankelijk is een vordering, steunend op de bewering dat zulk een maatregel van B. en W. als onnoodig, een onrechtmatige inbreuk was op eischers eigendom. — Zoo Rb. Breda 15 April 1902 W. 7793, G.st. 2664, W. B. A. 2781. Hierbij is op te merken dat art. 179 h Gem.wet de wettigheid der door B. en "W. ten deze genomen maatregelen niet afhankelijk stelt van hun doelmatigheid.

Vgl. ook Rb. Amst. 14 Juni 1898, p. 444 geciteerd, overwegend dat de noodzakelijkheid van een Raadsbesluit tot demping eener sloot door de rechterlijke macht niet mag worden onderzocht.

13. De beslissing, gegeven bij het p. 409 en 486 v. b. geciteerde arr. H. R. van 23 Aug. 1864, kan — afgescheiden van de t.a.p. aangeduide motiveering — hiermee verdedigd, dat de benoeming van een tolgaarder door Ged. Staten, daargelaten of zij in strijd was met een vroeger door hen aangegane contractueele verplich-

Sluiten