Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Daarentegen onderzocht Hoog Mil. Ger. Hof 26 Febr. 1909 W. B. A. 3120 p. 3 kol. 2, afgaande op een getuigenverklaring, de vraag of een bevel door een politiebeambte gegeven om het verkeer in een bepaalde richting te leiden, was vereischt in het belang der orde of veiligheid, — wat de betrekkelijke gemeenteverordening als voorwaarde stelde voor de verplichting om zich aan het bevel te onderwerpen. Zie tegen dit arrest Red. W. B. A. 1.1., van oordeel dat het Hof verwarde wat de verordening bedoelde als leiddraad voor de politie, met het toekennen van een recht aan de individuen. Volgens de Red. was hier het [eindjoordeel over de aanwezigheid der boven omschreven omstandigheid aan de politie, en niet aan hem tot wien het bevel werd gegeven. Dit laatste is buiten kijf, maar het Hof nam dan ook niet aan dat het anders was. Voor het overige heeft de Red. m. i. in hoofdzaak gelijk; vgl. hierna no. 22 A sub b (1°) i. f. en p. 576.

14. c. Het oordeel over de vraag of B. en W. bij het toepassen eener verordening, in het belang der openbare orde en veiligheid vastgesteld, door het uitvaardigen eener bij die verordening voorgeschreven publikatie, alleen met die belangen zijn te rade gegaan, dus of zij, handelend binnen hun formeelen bevoegdheidskring, de verordening juist en overeenkomstig haar geest en strekking uitvoerden, komt den rechter niet toe. Deze mag dus ook niet op ontkennende beantwoording van gemelde vraag, zulk een publikatie als van onwaarde behandelen. — Zoo H. R. 22 April 1895 W. 6655, R.spr. 169 § 49, v. d. Hon. G. Z. 41 p. 195, P. v. J. 1895 no. 46, G.st. 2284, W. B. A. 2401. — Het gold bier niet een doelmatigheidskwestie, waarvan de wettigheid der publikatie afhing, maar de vraag of B. en W. bij die publikatie niet een ander belang dan het boven aangeduide op het oog hadden, te weten een onder wijs-belang. In gelijken zin als voormeld arrest van 1895 ook concl. O. M. vóór H. R. 25 Juni 1894 W. 6527, R.spr. 167 § 33, v. d. Hon. G. Z. 41 p. 85, P. v. J. 1894 no. 66, G.st. 2239, W. B. A. 2367. — Vgl. ook no. 21 hierna.

Zie mede Rb. Gron. 23 Mei 1883 W. 4921, W. B. A. 1773: De vragen of B. en W. een wettige verordening juist hebben

Sluiten