Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nistratiex), zal hebben te onderzoeken, of deze van haar macht niet ter bereiking van een ander doel dan waarvoor die macht is bestemd, — een onredelijk gebruik heeft gemaakt, al is de bedoelde bestemming niet in de wet aangegeven.2)

1) Vgl. het volgend no. 22 B sub d, de noot op p. 596—597 in verband met het aldaar sub e voorgeslagen art. 2 c R.O.

2) Er zou dan moeten aangetoond: 1°. dat de administratie haar macht gebruikte met bijoogmerken, en 2°. dat het gebruik onredelijk was, een misbruik dus. Is dit laatste vereischt, dan worden daardoor ondervangen de bedenkingen geopperd door Tezner, Die deutschen Theorieen p. 283—286 (waarbij vgl. 1.1. p 288—289 en nt. 198 op p. 293.

Een bepaling als hier in den tekst bedoeld, zou m. i. gevoegelijk zijn in te lassehen in art. 84 van het ontwerp, dat dan b.v. aldus zou kunnen luiden: hetzij a op... (zie den door de Regeering voorgestelden tekst in verband met het hieronder opgemerkte), hetzij b op het onredelijk gebruik van gezag voor een ander doel dan waarvoor dit is verleend. Dan zou in art. 183 lid 1, na sonwettig" kunnen toegevoegd: in het geval voorzien in art. 84 onder a, en ongeoorloofd in het geval van art. 84 onder b; terwijl in artt. 184 en 185 zou zijn te lezen: onwettig of ongeoorloofd.

Overigens schijnt het beter in art. 84 «schennis van» te vervangen b.v. door «het niet naleven van» of «strijd met». Dit om twee redenen. De eerste is, dat de redaktie anders te veel herinnert aan die van art. 99 no. 2 R. Org., waaraan zich nu eenmaal de bestaande jurisprudentie vastknoopt met haar strenge scheiding tusschen recht en feit, terwijl men toch de administratieve rechtspraak niet tot bloote cassatie wil beperken. (Vgl. hierbij Tezneii, Die deutschen Theorieen p. 257—258, die blijkbaar daar enkel denkt aan de cassatie in burgerlijke, niet aan die in strafzaken, welke laatste althans bij ons niet aan de middelen van partijen is gebonden). En een tweede reden ligt in de opmerking van v. Idsinga in Bijdr. St.-best. 29 p. 421 omtrent de engere beteekenis van den term wetschennis.

Het hierboven geformuleerde art. 84 sub 6 zou b.v. ook omvatten het geval, dat Tezner, Zur Lehre p. 39 v. b. aanvoert (om politieke redenen een onnoodig werk bevelen). Ook dat van Bernatzik in Grünhut's Zeitschr. 18 p. 162 nt. 2. Insgelijks die van Gneist, Rechtsstaat 2e ed. p. 48, het slot der noot, en VerhandK Deutscher Jur. Tag. 1875 III p. 234 - 235, voorzoover de daar (p. 235) genoemde gevallen niet betrelfen een bloot feitelijke waardeering, die vanzelf den rechter toekomt (zie hierna no. 45 sub b). Mede zou dit art. 84 b treffen gevallen als die, waarvan § 9 no. 2 i. f. der Mem. v. Toel. op het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv. gewaagt. Vgl. ook Tezner in Grünhut's Zeitschr. 19 p. 392, en denzelfde, Zur Lehre p. 99—100.

Sluiten