Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het bovenstaande vgl. tegen het leerstuk van het détournement de pouvoir, Tezner in Grünhut's Zeitschr. 19 p. 389—394, en denzelfde, Zur Lehre p. 98—100 ja. p. 115 nt. 26 i. f. Zie verder Lemayer in Grünhut's Zeitschr. 22 p. 455 nt. 64, en Arntzenius in Themis 1902 p. 509. Vgl. voorts Bijln. Handn. Tweede Kamer 1905—1906 no. 6.3, Adm. R.spr. buitenl. wetgev. I sub 5 § 31 p. 43 ja. p. 41 (§ 30) *).

A. Omtrent de jurisprudentie, hiervóór in denos. 3—20 vermeld, worde het volgende aangeteekend.

Naar het mij toeschijnt, ligt er dit beginsel aan ten grondslag, dat de rechterlijke macht, waar beoordeeling door liaar van de vraag of iets al dan niet wenschelijk of noodig is ten opzichte der aan het administratief gezag 2) ter behartiging opgedragen algemeene belangen, dit gezag zou kunnen belemmeren in de behoorlijke waarneming van zijn funkties, — het onderzoek dier vraag achterwege laat. En dit niet enkel ingeval de wet in het geheel geen aanwijzing behelst betreffende hetgeen aan het administratief gezag is geoorloofd, — doch ook dan, als voor dit gezag de wettigheid van zijn optreden volgens de redaktie der in aanmerking komende bepaling, afhankelijk is gesteld van de zooeven aangeduide doelmatigheids- of beleidskwestie 3). Zie aangaande

!) Iets anders dan het hier bedoelde détournement de pouvoir is er, waar de administratie haar macht gebruikt op naar de wet ongeoorloofde wijze. Het onderzoek naar zulk een onwettigheid behoort — tenzij het bij uitzondering neerkomt op dat der vraag, hoe het algemeen belang moet worden behartigd — uitteraard bij den rechter. — Vgl. Fleiner (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 29— 32. Of deze echter, 1.1. p. 31 j°. nt. 2, gelijk heeft in zijn bestrijding van het Duitsche Reichsgericht omtrent de vraag, of onwettig is het aangaan eener privaatrechtelijke overeenkomst, waar z. i. publiekrechtelijk optreden noodig ware, is op zijn minst twijfelachtig.

2) Deze term is hier gebezigd in den ruimen zin, waarin hij mede omvat de verordenende besturen.

3) De twee uitdrukkingen worden in den tekst dooreen gebruikt met het oog op de in deze gangbare terminologie. Geheel korrekt is die gelijkstelling intusschen niet. Vgl. v. Idsinüa in Bijdr. St.-Best. 29 p. 389—390. — Ook O. Muller, Die Begriffe der Verwaltungsrechtspllege .... nacli preuss. Recht (1895) p. 10

Sluiten