Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken of strafrechter. — In burgerlijke zaken wordt krachtens art. 2 R. O. uitspraak gedaan over subjektieve rechten, die niet gekrenkt kunnen zijn, als het optreden der administratie niet onwettig is ')> terwijl een vordering tot schadevergoeding naar artt. 1401 vlgg. B. 'W. door de tegenwoordige jurisprudentie nietontvankelijk wordt geacht bij gemis aan civielen rechtsband, of waar niet in strijd met een subjektief recht noch zelfs enkel met de wet is gehandeld. — In strafzaken is het denkbaar dat de doelmatigheidskwestie, afgescheiden van de vraag naar de wettigheid der administratieve gedraging een enkel maal praejudicieel wordt ter bepaling der schuld van een ambtenaarbeklaagde; vgl. het voorbeeld bij Tezner, Zur Lehre p. 94—95 j's. p. 91—92. Mocht ditzelfde bij ons voorkomen (artt 158 vlgg. Swb.), de strafrechter zou hoogstwaarschijnlijk de gewenschte voorlichting zoeken door het hooren der superieuren van beklaagde. Hij zou de beantwoording der vraag zelf niet mogen ontwijken. En daarvoor zou er ook geen goede grond zijn, omdat dan niet kan gezegd wat in den aanhef van dit no. 22 als reden voor 's rechters onthouding is gesteld, dat n.1. zijn beoordeeling der beleidsvraag het administratief gezag in de behoorlijke vervulling van diens taak zou kunnen belemmeren; vgl. ook hieronder B sub g. — Buiten exceptioneele gevallen als zooeven bedoeld, zal ook voor den strafrechter de doelmatigheidsvraag niet licht praejudicieel kunnen zijn 2), dan voorzoover de wettigheid eener bestuursdaad of verordening van de beantwoording dier vraag mocht afhangen, waarover zie hieronder p. 562 vlgg.

Wat betreft die administratieve rechtspraak, welke thans is opgedragen aan de rechterlijke macht, is de wetgeving zóó ingericht dat de rechter enkel over de wettigheid der bestuursdaad heeft te beslissen, doch niet over haar doelmatigheid; zie

!) Vgl. hierbij Tezner, Die deutschen Theorieen p. 213—215.

2) Zij was het b.v. niet in het geval, berecht door H. R. 9 Juni 1863, vermeld op p. 184, zie aldaar.

36

Sluiten