Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, roet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

565

der administratie in elk konkreet geval (mede) moet afhangen van hetgeen al dan niet wenschelijk is voor de behartiging der haar opgedragen taak, geheel ten overvloede in de wet is uitgedrukt. — Daarbij komt het er dan niet op aan, of de wet positief dan wel negatief is geredigeerd (voor dit laatste vgl. b. v. no. 18). Maar evenmin doet het er toe, of zij als vereischte voor het optreden der administratie stelt dat dit zij in het algemeen belang i), of dat meer speciaal is voorgeschreven welke soort van algemeen belang moet bevorderd, b.v. de openbare orde of de openbare gezondheid 2).

(2o). Een tweede overweging geldt de vraag of de tegenwoordige aamenstelling der rechterlijke macht eenigen waarborg geeft voor een oordeelkundige beslissing harerzijds omtrent het administratief beleid. En zoo neen, of dan toch moet aangenomen dat de wet dwingt haar het onderzoek daarvan over te laten in het hier bedoelde geval, dat naar de redaktie vaneen wettelijk voorschrift de rechtmatigheid der administratieve gedraging afhangt van haar doelmatigheid.

Het zal wel geen tegenspraak ontmoeten dat voor de benoeming tot rechter bekendheid met de bestuursbehoeften bij ons thans niet wordt vereischt. Er is dan ook geen enkele reden om te

goedvinden der administratie uitgesloten. Maar of aan deze dan niet het eindoordeel toekomt over het bestaan der zooeven bedoelde noodzakelijkheid of wenschelijkheid, hangt toch weer af van de uitlegging, die aan de betrokken wetsbepaling moet gegeven. Zie hieronder p. 573—577. — Vgl. ook de eerste noot op p. 582.

*) Pogingen tot het definieeren van hetgeen hieronder is te verstaan zijn ondernomen door de schrijvers, genoemd bij Fleinek (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 3 nt. 1.

2) Voorbeelden, meer speciaal betreffende de admin. rechtspraak, geven artt. 2 lid 2, 5 lid 3, 7 lid 1 jo lid 2 en art. 8 wet 10 Sept. 1853 Stbl. 102. Vgl. ook art. 5 sub 1" der wet L. O., tekst K. B. 26 Juni 1905 Stbl. 219, uitdrukkelijk in dien zin geredigeerd dat de wettigheid der afkeuring van een schoollokaal door den hoofdinspekteur riet zou kunnen betwist op grond dat dit lokaal niet schadelijk is voor de gezondheid. — Vgl. verder hiervóór no. 13 sub b jo. sub re.

Sluiten