Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

566 Inleid, wet II. 0. — Alg. Begins. XVII.

onderstellen dat bij onze rechterlijke macht over het algemeen die bekendheid, welke zij zich ook niet door het uitoefenen deirechtspraak al doende kan verwerven, aanwezig zou zijn. Nu is het wel waar dat een rechter telkens voor allerlei kwesties staat, waarvan hij persoonlijk geen verstand heeft, en waaromtrent hij zich moet laten voorlichten door deskundigen. Maar met zulke speciale technische vragen ') staat die naar hetgeen al dan niet wenschelijk is voor de, aan de administratie toevertrouwde, behartiging der belangen van algemeen nut niet op één lijn2). Voorlichting hieromtrent zou, zoo niet altijd, toch in den regel enkel kunnen komen van de administratie zelf, t' huis in den tak van dienst waarom het gaat3). Deze zal, betreft het niet de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een bepaald persoon, haar eigen ambtenaren niet licht desavoueeren. Daarom zou, volgde de rechter haar advies, het resultaat vaak hetzelfde blijven als wanneer hij zich van onderzoek der kwestie onthoudt. En volgt hij bedoeld advies niet, dan is er groote kans op een onjuiste beslissing. Ook waar de vraag naar hetgeen wenschelijk is in het algemeen belang weer afhangt van technische kwesties, zou het soms (speciaal b.v. in waterstaatszaken) gevaarlijk kunnen zijn, als de rechter, afgaande op hét .oordeel van door

!) Vgl. daaromtrent voor de admin. rechtspraak de opmerkingen bij Tezner Die deutschen Theorieen p. 296 —298. — Zulk een technische vraag gold het in no. 16 hiervóór; zie aldaar.

2.) Nog minder met die wat het administratief recht meebrengt. Een behoorlijk onderlegd jurist kan zich daarin even goed inwerken als in kwesties van privaat- en strafrecht. Zie ook hierboven p, 505. —Vgl. hierbij Krabbe, Admin. Rechtspr. p. 51.

3) Al is de administratie niet zelf «deskundige», zij is het meest geschikt om de administratieve behoeften te waardeeren. Overigens is de zaak niet deze, dat de rechter de hier bedoelde beleidskwestie nooit goed zou kunnen beoordeelen. Maar zeer vaak zal hij daartoe niet in staat zijn. Het is hierbij dikwijls te doen om e6n oordeel, waarvoor noodig is, niet altijd juist technische kennis, doch de geschiktheid verkregen door administratieve ondervinding, terwijl allicht slechts hij die t'huis is in de administratie de kwestie goed kan overzien, soms zelfs enkel hij, die er nog in werkzaam is. — Vgl. het citaat bij v. Idsinga, De Adm. Rechtspr. I p. 70 nt. 4.

Sluiten