Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII. 567

hem aangewezen deskundigen, afweek van dat der administratie, voorgelicht door de hare, die haar verantwoordelijk zijn voor hun advies '). Om deze redenen kan 's rechters gemis aan ondervinding op het gebied der administratie, dikwijls niet worden verholpen door het inwinnen van een bericht van deskundigen. — De gevolgtrekking uit het voorafgaande kan slechts deze zijn dat de beoordeeling der vraag, of iets voor de aan het administratief gezag ter behartiging opgedragen algemeene belangen wenschelijk of schadelijk is, meestal aan de rechterlijke macht niet wel zou zijn toevertrouwd 2).

Zal men tegen het bovenstaande aanvoeren dat het bij rechtspraak in de eerste plaats te doen is om een zedelijk, niet om een intellektueel oordeel 3)? Dan moet toch gevraagd of dat zedelijk oordeel niet op het intellektueele dient te steunen, ja of een van den voortrefifelijksten rechtvaardigheidszin vervulden rechter wel anders dan bij toeval een goed vonnis zal kunnen wijzen, als hij niet behoorlijk op de hoogte is van de belangen, die hij heeft te beoordeelen ? Als, gelijk hier nu wordt ondersteld, waardeering der administratieve behoeften noodig zijn zou om over de wettigheid van het optreden der administratie te beslissen, welke zedelijke kracht heeft dan de uitspraak van een rechter, niet in staat die behoeften op haar juiste waarde te schatten ? —

!) Vgl. ook Fleiner (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 20 over technische en politiek-ekonomische kwesties: hierin, zegt hij, moet de verantwoordelijke administratie de eindbeslissing hebben, niet de deskundige benoemd door den rechter, en door dezen gevolgd. — M. i. gaat het echter te ver dit op alle technische kwesties toe te passen. Zie b.v. het slot van no. 16 hiervóór.

2) Meestal. In sommige gevallen, als het gaat om de afweging van verschillende belangen, die den rechter in den regel wel bekend zijn, terwijl zijn beslissing niet van invloed is op den administratieven gang van zaken, — draagt wel eens de wet zelf bij speciale bepaling den burgerlijken rechter op met het algemeen belang rekening te houden. Zoo in art. 677 B. W.; vgl. v. Idsinga in Bijdr. St.-best. 29 p. 396. Zie ook hier onder B sub g.

3) Vgl. v. Idsinga, De Adm. Rechtspraak 1 p. 71—73. Bij hetgeen aldaar p. 73 -76 volgt vgl. het, voor het hier behandelde punt, op de vorige en deze blz. in den tekst gezegde.

Sluiten