Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

572

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

gewicht, waar het gaat om de vraag of naar geldend recht die beoordeeling haar toekomt. Het is een weinig aannemelijke onderstelling dat naar ons staatsrecht de rechterlijke macht verplicht zou wezen tot een werkzaamheid, welke in den regel aan de belangen eener goede rechtspraak niet zou ten goede komen, — en die, door de administratie te behartigen, zou benadeelen. Waar het den schijn heeft, dat de logika toch er toe dwingt die verplichting des rechters aan te nemen, zal zijn na te gaan of niet ook deze schijn bedriegt, en of er geen gegevens bestaan, die tot een andere conclusie leiden.

Die gegevens nu zijn er inderdaad — althans voor veel gevallen — bij een rationeele ivetsuitlegging. Waar grammatikale interpretatie — als de wet naar haar bewoordingen de wenschelijkheid van een administratie ven maatregel ten opzichte van het algemeen belang tot voorwaarde stelt voor de rechtmatigheid van het optreden der administratie — zou kunnen meebrengen de hierboven aangestipte gevaren voor dat algemeen belang, is het a priori niet aan te nemen dat die grammatikale interpretatie den waren zin der wet weergeeft. En dan is m. i. op haar plaats een vrijere wetsuitlegging en -toepassing, wier resultaten hier meer dan de andere stroóken met de belangen eener goede administratie '), en met die eener onpartijdige

1) Dat dit geschiede is toch de bedoeling eener wettelijke bepaling, die naar haar redaktie de rechtmatigheid van het optreden der administratie enkel afhankelijk stelt van de vraag, of dit optreden is in het algemeen belang. Met het oog hierop dat de rechterlijke macht in den regel minder geschikt is om de eischen van dit algemeen belang te beoordeelen dan het administratief gezag — zie hierboven — kan volgehouden dat een wettelijke bepaling als hier aangeduid, haar eigenlijk doel zou missen, zoo de rechter te harer toepassing onderzocht, of het voor 't algemeen belang bevorderlijk is dat de administratie in een gegeven geval handelde gelijk zij deed. Is dit juist, dan geldt hier wat op p. 236 v. o. is gezegd omtrent het onttrokken zijn aan den rechter van een praejudicieel geschilpunt op dien grond, dat anders het doel zou worden gemist van de wetsbepaling, die in aanmerking komt. Dit n.1. als men meent dat we hier met een werkelijk, en niet met oen slechts schijnbaar praejudicieel geschilpunt (vg!. p. 182 v. o.) te doen hebben. Het laatste is het geval, zoo

Sluiten