Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, voet R. O. — Alg. Begins. XVII.

573

rechtspraak tevens (zie hierboven). Letterknechterij is nooit verkieselijk, en allerminst waar, gelijk hier, gewichtige gemeenschapsbelangen op het spel kunnen staan. Tegen hen, die meenen dat het den uitlegger niet geoorloofd is af te wijken van den woordelijken zin der wet, dien de grammatikale interpretatie aanwijst, worde herinnerd aan Celsus' uitspraak: scire leges non hoe est verba earum tenere, sed vim ac potestatem. En het ligt m. i. op de boven aangegeven gronden voor de hand om aan te nemen dat de ware bedoeling eener wet, die naar haar redaktie de wenschelijkheid eener administratieve gedraging voor het algemeen belang, tot vereischte stelt voor haar wettigheid — deze is, dat zij inderdaad op het oog heeft het oordeel van het administratief gezag omtrent die wenschelijkheid als eigenlijke voorwaarde voor zijn optreden.x) Uit het verband met andere bepalingen zal dan moeten blijken, wanneer den doorslag geeft enkel het oordeel van hem, die over het nemen van eenigen

men de in den tekst voorgestane vrijere interpretatie aanvaardt, naar welke de hier bedoelde voorschriften moeten uitgelegd, als stond er met zooveel woorden in uitgedrukt dat de wettigheid afhankelijk is van het oordeel deiadministratie over de behoeften van het algemeen belang. De aanwezigheid van dit oordeel is dan het ware praejudicieele geschilpunt. Op beide wijzen komt men tot hetzelfde resultaat: onthouding van de rechterlijke macht.

Voor hen, die bij het gewagen van een «vrije» wetsuitlegging, dadelijk denken aan een interpretatie contra of praeter legem, zij opgemerkt, dat van het eerste hier in het geheel geen sprake is, en van het tweede enkel dan, als men de wet per se vereenzelvigt met den letterlijken zin harer woorden.

x) Zie ook Vos, geciteerd hierboven in de tweede noot op p. 563. — Het hier in den tekst bedoelde geval staat niet gelijk met dat van een wet, die vage termen gebruikt (vgl. onder B sub ƒ). En slechts daarvoor gaat op wat Tezneb, Die deutsehen Theorieen p. 267—268 zegt, dat het n.1. onmogelijk is, bij gemis van nadere gegevens de bedoeling op te sporen ten aanzien der vraag naar het z.g. freie Ermessen. Voor het hier in den tekst gezegde daarentegen kan beroep gedaan op een wetsinterpretatie, die rationeel moet geacht, als overeenkomstig de behoeften van een goeden gang van zaken in het bestuur. — Vgl. nog Krabbe, Admin. Rechtspr. p. 67—72. Diens kritiek is gericht tegen de onderscheiding tusschen instruktie- en waarborgnormen ter opsporing van 's wetgevers bedoeling, doch geldt m.i. niet tegen de hier in den tekst gevolgde redeneering.

Sluiten