Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

574 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

maatregel heeft te beslissen, dan wel ditzelfde oordeel behoudens instemming van hooger administratief gezag. x)

Al aanvaardt men hier de zooeven bedoelde vrijere interpretatie, die in deze voornamelijk gewicht hecht aan de strekking der wet en haar praktische consequenties, — zorgvuldig zal er zijn te waken tegen een willekeurige wetsuitlegging, die naar de vermeende behoefte van het oogenblik nu eens niet, dan weer wèl den rechter uitsluit, en die dit ook daar doet, waar het allerminst in de rede ligt. Alleen dan, als aan 's rechters inmenging inderdaad de boven geschetste bezwaren zijn verbonden, is er grond voor de onderstelling dat de wet, ook al zegt zij het niet met zooveel woorden, en al is het evenmin op te maken uit haar wordingsgeschiedenis, — toch is bedoeld in

!) Vgl. b.v. art. 140 Prov.wet, de eerste met de tweede zinsnede.

Het verband met nieuwe wetsbepalingen kan soms de beteekenis der oude wijzigen, speciaal als dit met de nieuwe wordt beoogd. Het is dan ook mogelijk dat bij de invoering eener van de administratie onafhankelijke admin. recht-' spraak, de hier in den tekst bedoelde zin van oude bepalingen aldus wordt veranderd, dat voortaan het eindoordeel over zekere omstandigheid niet meer toekomt aan de administratie, waar de bepaling dit laatste niet uitdrukkelijk zegt. Maar voor zulk een wijziging der vroegere beteekenis zouden steeds afdoende gronden moeten kunnen aangevoerd. Kwalijk zou daartoe voldoende kunnen geacht het enkele feit van het in werking treden van art. 2 b R. O. naar het Ontw. 1905.

Is iets overgelaten aan iemands goedvinden of eindoordeel, dan zou men dit letterlijk zóó kunnen opvatten, dat daarover ook geen superieur in hooger beroep meer heeft te oordeelen. Maar waar een zoodanige bepaling slechts beoogt rechterlijke beoordeeling uit te sluiten, zegt zij niets omtrent de vraag of hetzelfde geldt van een beoordeeling in administratief appèl, hetgeen op andere wijze moet worden uitgemaakt. — Evenmin gaat het m. i. b. v. aan om op de vraag of een bepaalde maatregel van voluntaire jurisdiktie vatbaar is voor hooger beroep, alleen daarom ontkennend te antwoorden, omdat die maatregel is overgelaten aan de [ten aanzien van belanghebbenden] diskretionaire beoordeeling van den rechter, tegen wiens beslissing wordt opgekomen. Dit argument gebruikte Hof N.-Brab. 25 Nov. 1862 W. 2434 tegen appellabiliteit der benoeming van een provisioneelen bewindvoerder voor een curandus; vgl. Léon— Rombac.h, 3e ed., no. 3 op art. 495 B. W. — Zie hierbij no. 66 hierna.

Sluiten