Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

578

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

(3o). Niet altijd zal men langs den weg, ten deele sub (lo) en verder sub (2°) hierboven aangegeven, komen tot het resultaat dat, wat op het eerste gezicht praejudicieel geleek voor den rechter, dit slechts schijnbaar was. B.v. bij art. 141 Prov.wet zou, naar het mij voorkomt, dit niet op genoemde wijze kunnen aangetoond. Toch is ook daar het geschilpunt voor den rechter slechts schijnbaar praejudicieel, als men mag aannemen hetgeen op dit punt is gezegd p. 464 ja. p. 528 hiervóór.

Maar zelfs als zich gevallen mochten voordoen, waarin de boven aangeduide doelmatigheidsvraag als het werkelijk praejudicieele geschilpunt zou moeten aangemerkt, kan m.i. op de boven sub (2°) genoemde gronden worden aangenomen dat dit geschilpunt toch aan de rechterlijke macht is onttrokken (vgl. ook de noot op p. 572—573). Yan deze opvatting schijnt ook de jurisprudentie uit te gaan, neergelegd in de voorafgaande nos. 3—20. Tegen hetgeen anders implicite zou volgen uit de redaktie der wet, schijnt dan te moeten aanvaard een beginsel van ongeschreven staatsrecht, door onze jurisprudentie gehuldigd omtrent de verhouding van rechterlijke macht en administratieve organen ten aanzien van het beleid dier organen, dat — geboren uit de op bedoeld punt steeds algemeen geheerscht hebbende rechtsovertuiging — is gegrond op hetgeen de behoorlijke behartiging der openbare belangen eischt1). Een beginsel, dat dan is van dezen inhoud:

letterlijken zin niet te volgen). — Vgl. hierbij Wiesner in Annalen des deutschen Reichs 1908 p. 855 v. b. ja. p. 854 v. b.

Overigens is het slechts de toepassing derzelfde methode, die soms er toe kan leiden de woorden «naar het oordeel van» of een anderen term van gelijke strekking, als ongeschreven te beschouwen, waar dit geboden wordt door een rationeele wetsuitlegging. Zoo in art. 40 lid 3 Ongevallenwet, volgens de hieronder p. 583—584 in de noot geciteerde uitspraak Rd. v. beroep Dordt. Het spreekt m. i. echter vanzelf dat, waar geen afdoende gronden kunnen aangevoerd voor zulke interpretatie, — de uitdrukkelijke bijvoeging onaar zijn oordeel» of een dergelijke, tot de gevolgtrekking noodzaakt, dat dit oordeel den doorslag geeft, tenzij het stelsel der wet elk voor den rechter oncontroleerbaar oordeel buitensluit; vgl. onder B sub b.

1) Als men hiertegen art. 3 wet Alg. Bep. mocht aanvoeren, dan worde er op gewezen dat het nog altijd een open kwestie is, of bedoeld artikel ook op

Sluiten