Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVll.

583

enz. als de wet noemt, doch niet of b.v. dit gevaar werkelijk is te duchten, en dus een weigering geraden is. Wèl of de gevreesde hinder, gesteld hij kon zich voordoen (wat dan buiten 's rechters onderzoek zou vallen) van ernstigen aard ware, maar niet' of er metterdaad slechts kans is op onbeduiden hinder. — Thans echter wordt dit alles ook door de Kroon onderzocht; vgl. Léon-Cramer op art. 11 der bedoelde wet. ')

b. Ook de Ongevallenwet huldigt in haar art. 77 m.i. 2) het stelsel, waarnaar de administratieve rechter niet enkel de wet-

!) Zie over dit art. 11, in verband met de invoering eener van de administratie onafhankelijke admin. rechtspraak: Buys, De Grondwet II p. 358, en in Hand. Jur. Vereen. 1891 I p. 87—89; de Hartog in Themis 1891 p. 414—415; J. A. Levy, Adm. Rechtspr. p. 239, wiens bestrijding door J. A. Loeff, Publ. recht tegenover Priv. recht p. 156—158 eigenlijk slechts haar grond vindt inde min gelukkige wijze, waarop Levy zich hier uitdrukt. Verder J. J. Rochussen, Nijverheid en Overheid (1887) p. 176-178; Verslag St.-Comm. Adm. Rechtspr. (1894) p. 53; Reuyl in R. Mag. 14 p. 83 en p. 87 noot; v. d. Hoeven (p. 349 hiervóór geciteerd) p. 56—57; Kan in R. Mag. 16 nt. 1 opp. 353 —354; Roèll en Oppenheim 1.1. 18 p. 189 jo. 1.1. 21 p. 66 en p. 104; Krabbe, Admin. Rechtspr. p. 65—66, tegen wien Arntzenius in Themis 1902 p. 503—505, naar aanleiding waarvan vgl. (betreffende art. 12 Hinderwet) v. Idsinga in Themis 1903 p. 14—16. Zie ook hieronder p. 604 in de noot. — Vgl. verder Aucoc (p. 2 hiervóór geciteerd) p. 481, en het arrest van het Duitsche Reichsgericht dd. 11 Jan. 1906, vermeld hierna in no. 45 sub c eerste noot.

2) Tot een andere opvatting kan men geraken, als men meent dat elke onjuiste beslissing der R. V.-Bank tevens onwettig is, voorzoover haar niet krachtens speciale bepaling het eindoordeel toekomt. Dan immers zou het (ingevolge art. 77) den rechter toekomend onderzoek, al omvat dit de geheele beslissing der Bank, toch steeds de wettigheid dier beslissing betreffen. — De vraag of deze opvatting de ware is, dan wel de hier in den tekst aangegevene, schijnt thans slechts inzoover van belang dat men bij de boven ontvouwde, ten aanzien van bepalingen als artt. 36 en 40 lid 3 Ongev.wet, niet staat voor de kwestie of de woorden «van oordeel is, dat» aan de Bank het eindoordeel laten tegenover den rechter. En juist daarom ook mag m.i. aangenomen dat art. 77, welk artikel anders voor genoemde bepalingen illusoir zou worden, moet opgevat gelijk in den tekst is gezegd. Bij de tegengestelde meening moet men, zal art. 77 tot zijn recht komen, artt. 36 en 40 lid 3 uitleggen tegen de bewoordingen dier bepalingen in. Dit laatste deed uitdrukkelijk voor art 40, Rd. v. beroep Dordt 28 Dec. 1908 W. R.spr. Soc. Verz.

Sluiten