Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

584

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

tigheid der administratieve handeling onderzoekt, maar het geheele beleid, — ingeval n.1. de aangevallen beslissing er een is, waar-

1909 no. 17 sub 3°. Deze uitspraak is bevestigd door G. R. 20 April 1909 1.1. sub 4°, «zij het op gansch anderen grond». De C. R. onderzocht zelfstandig of het bedrijf was gestaakt.

Van meer praktisch belang dan thans kan de vraag worden, of onwettig is elke onjuiste beslissing der R. V.-Bank, voorzoover haar niet krachtens wettelijk voorschrift het eindoordeel toekomt, — bij invoering van art. 84 Ontw. 1905 Wb. v. Adm. Rv., waardoor art. 77 Ong. wet geheel van strekking verandert, (vgl. ook art. 75 Ong. wet naar art. 68 Ontw. V Bijln. Handn. Tweede Kamer 1907—1908 no. 178 en aldaar sub 3° de M. v. T. op dit art. 68). Naar aanleiding van art. 84 Ontw. I is terecht gezegd in § 11 der daarbij behoorende Mem. v. Toel., dat wetsovertreding door de administratie kan plaats hebben tengevolge van verkeerde waardeering der feiten. Als de wettigheid eener administratieve handeling afhangt van de aanwezigheid eener feitelijke omstandigheid, en deze laatste is door de administratie «verkeerd gewaardeerd», dan kan haar optreden dientengevolge onwettig zijn. De administratieve rechter zal dan ook bij het genoemde art. 84 (althans naar zijn bedoeling, die m.i. anders behoort te worden uitgedrukt, zie de tweede noot op p. 558 hiervóór) zelfstandig hebben te onderzoeken, of de vereischte feitelijke omstandigheid aanwezig was. Maar men mag het in de Mem. v. Toel. t. a. p. gezegde niet omkeeren, en concludeeren dat elke verkeerde waardeering van feiten door de administratie, die oorzaak werd voor haar optreden, —de onwettigheid van dit optreden meebrengt, dat dus elke onjuiste beslissing der administratie onwettig zou zijn. Reeds hierom niet, omdat er dan niets zou overblijven van haar eindoordeel of vrij goedvinden, dat ook het Ontw. 1905 terecht wil eerbiedigen (vgl. § 6 der Mem. v. Toel.). En ook met de restriktie: voorzoover niet het eindoordeel aan de administratie toekomt, gaat het niet op. Wat de Ongev. wet betreft — om te zwijgen van haar art. 38 lid 3, dat men met het oog op lid 2 misschien mag interpreteeren, als stonden er eveneens de woorden «zoo noodig» — zal men b.v. zeggen dat de wet is overtreden, als de Bank de in art. 49 bedoelde verklaring gaf tengevolge eener verkeerde waardeering der feiten? Staat het verder b.v. wel vast, dat elke toewijzing van een (volgens den rechter) onjuist gevarencijfer — ook al is rekening gehouden met het in artt. 31 lid 2 en 37 lid 2 der wet aangegeven richtsnoer — onwettig moet heeten? Wel kan men zeggen: de wet wil (d.w.z. wenscht) toewijzing van een juist cijfer. Maaide wet wil in dien zin altijd een juiste beslissing der administratie. Doch volgt daaruit dat elke onjuiste beslissing der administratie onwettig is, als haar niet het eindoordeel is gelaten? Zou men b.v., met art. 11 Hinderwet voor oogen, kunnen zeggen dat, als de Kroon geen gevaar aanwezig acht, waar

Sluiten