Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Irdeid. luet R. O. — Alg. Begins. XVII.

585

tegen beroep bij den ongevallen-rechter openstaat1). Dit is te verklaren uit de geschiedenis der wet. De Regeering had oorspronkelijk ook hier gewild rechtspraak door de Kroon, den Raad van State gehoord. Toen dit op aandrang der Tweede Kamer werd gewijzigd, wees wel de Minister van Justitie (Cort v. d. Linden) er op, dat nu de vraag rees of ook de indeeling in gevarenklassen en de toewijzing van het ge varenpercentage vanwege de Rijksverzekeringsbank, behoorde te blijven onderworpen aan de beoordeeling door den ongevallen-rechter, — maar in de Tweede Kamer werd enkel gezegd dat nader bij de Beroepswet moest beslist, of het hoogste rechtscollege (thans de Centrale Raad) die vragen zou hebben te onderzoeken. Zoo is het tegenwoordige stelsel aangenomen, zonder dat blijkt of het voldoende is overwogen 2). Dit kan intusschen toch wel zijn geschied. Men kan — en dit met reden — hebben gemeend dat in de speciale aangelegenheden, die zich voordoen op het (tegenover de geheele administratieve wetgeving) betrekkelijk beperkte gebied der werkliedenverzekering, er geen aanleiding was om enkel de wettigheid s) der beslissingen

B. en W. dit wèl duchtten, de koninklijke vernietiging der weigering van B. en W. insluit dat deze onwettig was?

Vgl. hierbij ook hieronder p. 588 in de noot.

!) De vraag, in hoever dit laatste het geval was, werd naar aanleiding van art. 79 lid 1, m.i. ten onrechte, opgeworpen in het geding, berecht door Raad v. Beroep Rott. 1 Aug. 1906 C. Org. 4 p. 240, welke uitspraak is vernietigd door G. Raad 30 Nov. 1906 1.1. p. 238, W. R.spr. Ongev. Verz. 1906 no. '103 sub 1035° (j° 1034°). Over deze beslissingen zie nader het p. 590 hieronder aangeteekende.

2) Zie Bijln. llandn. Tweede Kamer 1897—1898 110. 182 art. 60 Ontw. II, 1.1. sub 50 § 12 p. 43 kol. 1 jo. Bijln. 1898—1899 no. 16 p. 22 kol. 1 op art. 66 G. O.; vooral 1.1. no. 16 sub 11° onder XVII p. 114 kol. 1 v. 0. Verder Iland™. Tweede Kamer 1899—1900 p. 382, 384 kol. 1, 386 kol. 1 (Loeff, Kuypeh, en Min. v. Just.). Daarbij vgl. ook de geschiedenis der Beroepswet 1902: Bijl11. 1901—1902 no. 78 sub 5» § 2 p. 22—23.

3) De mogelijkheid bestaat overigens ook dat men b.v. in de toekenning van een onjuist gevarenpercentage (thans: gevarencijfer) per se een onwettige beslissing der Rijksverzekeringsbank heeft gezien. Of die beschouwing juist zou zijn kan betwijfeld: vgl. hierboven p. 584 in de noot, en hieronder p. 588, insgelijks in de noot.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 37*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten