Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

586

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

van de R. Y.-Bank door den ongevallen-rechter te doen onderzoeken '). — Het gevolg is nu dat, ook als de bedoelde wettigheid uitdrukkelijk afhankelijk mocht zijn gesteld van het oordeel

1) Maar hot beroep bij den rechter betreft enkel beslissingen fier R. V.-Bank, niet die der Regeering. Wordt de ongevallen-rechter gesteld voor de louter praejudicieele kwestie naar de wettigheid eenor regeeringsdaad, dan onderzoekt ook hij de doelmatigheid dier daad niet, althans als daarvan de wettigheid niet afhangt; vgl. hiervóór no. 3 sub c.

De daar vermelde uitspraak C. R. van 30 Okt. 1903 overwoog nog dat de rechter zich heeft te onthouden van een onderzoek der vraag, of de rangschikking eener onderneming in een klasse, als bedoeld in het laatste lid van art. 37 Ongev.wet juist is, nu die rangschikking volgens deze bepaling alléén kan geschieden bij Kon. Besluit. Dit is inzoover een vergissing dat de indeeling geschiedt door de Bank met koninklijke machtiging, zie den tekst der wet; vgl. ook Bijl". Hand". Tweede Kamer 1898—1899 no. 16 (11°) p. 113 sub XIII jo. (120; p 1-17 sub XII. Die machtiging, een dispensatie van den bij art. 31 der wet bevolen algemeenen maatregel, dekt de rangschikking door de Bank in elk opzicht. Bij alle verschil is er hier analogie met de convalescentie eener in den aanvang onwettige rechtshandeling door goedkeuring achteraf; vgl. hiervóór p. 342 v. o. (sub cc). De wetsbepaling, koninklijke machtiging voorschrijvend, moet geacht het eindoordeel over de wenschelijkheid dei- rangschikking te hebben gebracht bij de Kroon, met gevolg dat de vraag of de onderneming werkelijk zoodanig gevaar voor de verzekering oplevert dat de geschiede indeeling daardoor is gerechtvaardigd, aan de beoordeeling van den ongevallen-rechter is onttrokken, zoodat hij die nadere indeeling heeft te eerbiedigen. Zie in dien zin C. B. 30 Maart 1909 W. Soc. Verz. 1909 no. 14 su), o°. — En daai' het hier niet geldt een partikuliere daad, naar eigen welgevallen te verrichten of na te laten, doch de R. V.-Bank verplicht is de haar opgedragen taak te vervullen naarmate de omstandigheden het vereischen, kan men ook niet zeggen dat zij — evenals een partikulier vrij blijft om een .verleende dispensatie ongebruikt te laten, — op-gelijke wijze kan handelen met de koninklijke machtiging, welke slechts wordt gegeven als de Kroon haar noodig oordeelt. Daarom mag de rechter ook niet beslissen dat de Bank van de machtiging geen gebruik had behooren te maken. Dit zou neerkomen op een onderzoek der vraag, of de machtiging al dan niet had moeten verleend, waarover de rechter niet heeft te oordeelen. Zie in dien geest Raad v. beroep Rott. 13 Nov. 1907 G. Org. 5 p. 338, met overneming der motiveering bevestigd door C. R. 21 Febr. 1908 C. Org. 5 p. 337, W. Soc. Verz. 1908 no. 9 sub 2° (jn. 1°). — lntusschen moet erkend dat dit punt twijfelachtig is. — Vgl. hierbij ook Raad v. beroep 's Grav. 29 Maart 1904 Jaarb. voor de Ned. Ongev.

Sluiten