Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, ivet R. O. — Alg. Begins. XVII.

589

behoorde te geschieden" (dus, ook al mocht het naar de wet). Dan kan de rechter ook onderzoeken of de Bank een juist gebruik maakte van de bevoegdheid, haar gegeven in art. 67 lid 1 i. f. (wat niet zou opgaan, als hij enkel de wettigheid harer beslissing in deze had te toetsen), —evengoed als hij krachtens art. 77 heeft te beoordeelen, of de Bank het „recht", haar gegeven in art. 38 lid 3, al dan niet „terecht" heeft toegepast1).

Met art. 79 lid 1 zou het evenzoo zijn"), als daar beroep ware toegekend tegen de beslissingen der Bank betreffende de aanspraken der verzekerden enz. Dit is echter niet het geval. Het beroep is hier ontvankelijk, als de verzekerde enz. vermeent dat zijn aanspraken op schadeloosstelling niet of niet geheel zijn erkend. Intusschen kan die meening van den belanghebbende

!) Wel geeft de Mem. v. Antw. op art. 52 van het Reg.-Ontw. II (vgl. Romeijn, Ongevallen-wetgeving (1903) I p. 166 sub 3" i. f.) aanleiding tot de meening dat art. 67 lid 1 i. f. met «bevoegd» op het oog heeft een oordeel der Bank, oncontroleerbaar door den rechter. Maar die Mem. v. Antw. is geschreven vóórdat artt. 80 en 79 lid 2 in de wet kwamen ; vgl. Romeijn 1.1. p. 182 sub 1° op art. 80, en p. 180 sub 1° op art. 79. Daarom kan zij geen invloed hebben op de interpretatie dier laatste artikelen, wier strekking (door den term «ten onrechte») m. i. meebrengt dat wat zonder hen zou zijn overgelaten aan het eindoordeel der Bank, nu bij de toepassing van gemelde bepalingen, toch door den recliter kan onderzocht. Wel zou deze in den regel vermoedelijk tot geen andere slotsom komen, dan dat hem niet blijkt vaneen gebruik «ten onrechte» der bevoegdheid in art. 67 lid 1 bedoeld.

2) Deze bepaling kwam reeds voor in Ontw. I der Ongev.wet als art. 59 (Bijl". Hand". Tweede Kamer 1896—1897 no. 159) en is bij alle wijzigingen behouden gebleven. Dit mag echter niet als argument aangevoerd tegen het hierboven sub b in den aanhef over art. 77 gezegde, want al ligt het voor de hand om, waar de administratie als rechter wordt aangewezen, haai' niet enkel over de rechtsverhouding, doch over het geheele beleid te laten beslissen, dit laatste behoeft niet per se te geschieden. Trouwens kwamen in de eerste ontwerpen Ongev.wet niet voor bepalingen als die van het thans geldende art. 29 lid 5, aan de Bank de bevoegdheid gevend om een aanspraak van den verzekerde al dan niet te laten voortbestaan. Bij gemis van dergelijke bepalingen was er ook geen sprake van een eindoordeel der Bank krachtens de wet, tegenover hem die aangewezen weid om in beroep te beslissen.

Sluiten