Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. ■— Alg. Begins. XVII.

597

Juiste waardeering der bestuursbehoeften is niet zaak van iedereen, en wat daaromtrent p. 565—568 hierboven is uiteengezet ten opzichte der gewone rechterlijke macht, schijnt mij toe mede van toepassing te zullen zijn op den administratieven rechter, zooals de ontwerpen van 1905 zich dien denken. Zou het wel mogelijk zijn te zorgen dat in alle nieuw te vormen administratieve kamers der rechterlijke colleges, althans eenige rechters worden benoemd, met zooveel ondervinding van de administratieve praktijk, dat in de beleidskwestie van hen eventueel een juist oordeel zou mogen verwacht? — Of men die kwestie, ook op beperkt gebied, aan den administratieven rechter kan toevertrouwen, wordt toch grootendeels i) bepaald door de

administratie zelf'. Dit laatste zou bij een bepaling als het p. 603—604 hieronder voorgeslagen art. 2 c R. O. daaruit voor den rechter volgen. Komt deze nu tot het resultaat dat het optreden der administratie toch onredelijk was, dan kan hieruit wel de gevolgtrekking gemaakt: dus was de handelwijze der administratie in het konkreete geval niet wenschelijk in het algemeen belang. Maar dit punt op zich zelf had de rechter niet te onderzoeken.

J) Overigens is het duidelijk dat ook in deze materie de wettelijke regeling in de eerste plaats behoort te beantwoorden aan de behoeften van ons land. Reeds hierom moet men voorzichtig zijn met een beroep op hetgeen geldt in andere Staten, al kunnen wij ons voordeel doen met de lessen door de ondervinding aldaar verstrekt, doch deze dan in verband gebracht met de algemeene wetgeving en de geaardheid van volk en administratie, wier rechtspraak men wil raadplegen. Zoo is er b.v. aan te herinneren dat Gneist's stelsel en de hierop gedeeltelijk gebouwde Pruisische wetgeving, de terugslag waren op daar te lande vroeger bestaande toestanden, waarover zie v. Sarwey, Das öflent). Recht p. 156. Vgl. Gneist o. a. in Verhandl". D. Jur. Tag 1875 JII p. 235—237, en Rechtsstaat, 2e ed. p. 272. — Naar aanleiding van Gneist en van het Pruisische stelsel zie 11. Reuyl in R. Mag. 14 p. 85 noot; J. R. Kan 1.1. 16 p. 320—321, 351—352; J. A. Levy, Admin. Rechtspr. p. 43—45 jis. p. 39 v. b. en 180 midd., en de in het volgend no. 23 geciteerde blzz. der dissertaties van J. A. Loeff en II. Vos. Zie ook van dien laatsten schrijver Admin. Rechtspr. p. 102-103 en 110—126 jis. 279—280 (W. B. A. 2709, 2711, 2713, 2776) en vooral W. D. A. 3009 (naar aanleiding van Schultzenstein in D. Jur. Zeit. 1907 p. 145—154) en 3108-3110 (speciaal 3109). Verder W. R. A. 3114 het citaat van v. Sarwey 1.1. p. 266. Vgl. mede § 9 no. 2 der Mem. v. Toel. op het Ontw. 1905 Wb. v. Adm. Rv., de geciteerden hiervóór p. 288 nt. 1, en

Sluiten