Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

598

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

waarborgen voor haar goede beoordeeling, te vinden in de wijze waarop de administratieve rechtscolleges zullen zijn samen-

in de daar vermelde Bijlagen nog p. 19—20, waarbij vgl. 1.1. p. 30 (zie ook het slot van het-hier voigend no. 23). Verder A. Menger, Syst. des österr. Civ. proc.rechts I (1870) nt. 10 op p. 220—221 ; O. Mayer, Deutsches Verwalt.recht I p. 108 nt. 14 en p. 192 nt. 27; G. Meyer, Lehrb. des deutschen Verwalt.-rechts 2e ed. (1893) p. 46—48, en daarbij Tezner, Die deutschen Theorieen p. 276 nt. 158; Zorn in Verwalt.archiv 2 p. 138 nt. 226 en p. 146 nt. 250; H. Rosin, geciteerd hieronder op p. 610; G. Anschütz (p. 515 hiervóór geciteerd) p. 366—367; Fleiner (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 13—14. — Een duidelijke uiteenzetting geeft Friedrichs in Verwalt.archiv 6 p. 529—530 ja. p. 302 nt. 10.

Ten opzichte der Pruisische rechtspraak door Fleiner 1.1. genoemd, vgl. hiervóór no. 5 sub e i. f., hierboven onder A sub c i. f., p. 596 in de noot bij p. 595, hieronder p. 600 nt. 1, de noot op p. 604 — 605, en p. 609, het slot der tweede noot. — Merkwaardig is het arrest Preuss. Ob. Verwalt-gericht van 6 Mei 1890 Enlsch. 19 p. 225, betreffende de «Wegebaupolizei», waarvoor § 127 lid 3 Landesverwalt. Gesetz niet geldt (vgl. ook O. Müi.ler, p. 559 nt. 3 biervóór geciteerd, p. 15—16 sub 10°). Dit arrest neemt 1.1. p. 227—228 aan dat de rechter de administratieve beslissing in deze ook heeft te «prüfen auf ihre Angemessenheit und Zweckmassigkeit», en dus ook moet onderzoeken of niet te veel is verlangd, en, zoo ja, waarmee de Wegebaupflichtige kan volstaan. Maar hij mag niet de administratieve beslissing irizoover vernietigen als zij niet beantwoordt aan hetgeen hij rechter goed vindt. Dit zou, zegt het Hof, praktisch de administratie geheel verlammen. Hoever de rechter in zijn beoordeeling der doelmatigheid gaan kan zonder de administratie te verlammen, wordt intusschen niet gezegd. — Misschien kan het zijn nut hebben hier ook te wijzen op de beslissing van het Preuss. Gerichtshof für Kompetenzkontlikte van 14 Dec. 1907, vermeld in de D. Jur. Zeit. 1908 p. 488, die —daargelaten of zij juist is naar Pruisisch recht, hetgeen ontkend wordt door W. Jellinek (p. 443 hiervóór geciteerd) p. 178 nt. 1 —■ verder schijnt te gaan in de uitsluiting van rechterlijk onderzoek dan gewenscht mag heeten. — Vgl. overigens hij de beslissingen betreffende Teil II, tit. 17 § 10 van het Allg. Preuss. Landr.: én het hierboven onder A sub 6 (1°), èn het p. 608 hieronder sub f gezegde, alsmede O. Muller (p. 559 nt. 3 hiervóór geciteerd) p. 22—23.

Bij het raadplegen van Pruisische schrijvers heeft men hierop te letten dat zij, ook als ze niet enkel de regeling van hun eigen land bespreken, toch vaakstilzwijgend daarvan uitgaan. Vgl. p. 013 hieronder, de opmerking naar aanleiding van Stier-Somlo's zienswijs.

Sluiten