Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

599

gesteld ')• Werd de administratieve rechtspraak b.v. opgedragen, in eersten aanleg aan Ged. Staten, mèt of zonder een rechtsgeleerd voorzitter, —- en in hooger beroep zeg aan een afdeeling van den H. R., bij welks samenstelling dan niet minder zorg zou zijn te dragen voor de aanwezigheid van leden, doorkneed in de praktijk der administratie, dan thans geschiedt bij die der afdeeling geschillen van den Raad van State, — men zou (het wèl of niet wenscbelijke van zulk een regeling hier overigens daargelaten) voor de beleidsvraag geheel anders staan dan als de ontwerpen van 1905 worden aanvaard 2).

!) Wie — gelijk Struycken, p. 592 hierboven geciteerd — ons Duitsche, Fransche en Engelsche jurisprudentie ten voorbeeld%telt, vergete niet hoe de colleges zijn gevormd, van wie deze jurisprudentie uitgaat. Zie — om te zwijgen van de lagere Pruisische administratieve gerechten, die deel zijn der administratie -—- voor het Pruisische Oberverwalt. Gericht de Pruisische wet van 2 Aug. -1880 Art. IV § -17 (ja § 18), vermeld in Bijl". Hand". Tweede Kamer 1905—1906 no. 63 (5) p. 53. — Voor de samenstelling van den Franschen Gonseil d'État vgl. Ducrocq, Gours de droit admin. 7e ed. I (1897) nos. 87-95, p. 100-120; IIauriou (p. 442 hiervóór geciteerd) p. 822 — 825 j's. p. 386- 389; Lafkrrikre (p. 401 hiervóór geciteerd) p. 270-273, en H. Vos, Admin. Rechtspr. p. 95—90 (W. B. A. 2707). — Over de houding van den Gonseil d'État in zake het z.g. (Veie Ermessen, zie naast de zooeven aangehaalde Bijlagen p. 42—43, Laferriürr 1.1. II, le ed. p. 393—397 (vgl. ook p. 541—544), betreffende den recours pour exces de pouvoir —, waaruit blijkt dat de Cons. d'État wel degelijk erkent een voor den admin. rechter oncontroleerbaar oordeel der administratie, ook buiten de aetes de gouvernement. De «breede rij» van deze laatste, waarvan de Bijlagen II. gewagen, is volgens IlAtiRiou 1.1. p. 280 een soort veiligheidsklep in deze. Zou men bij ons dit Fransche voorbeeld navolgenswaardig achten? Vgl. ook Alg. Begins. XVI no. 35.

Over de samenstelling der administratiefrechterlijke colleges naar de ontwerpen van 1905 zie ook J. A. v. Hamel in Hand. Jur. Vereen. 1908 I p. 81—82.

2) Zie hierbij W. B. A. 2767 (Vos, Admin. Rechtspr. p. 257—258); v. Sarwey, Das öffentl. Recht p. 89- 91; Reuyl in R. Mag. 10 p. 207—208, waarbij vgl. Tezner, Die deutschen -Theorieen p. 139—142. — Over de mindere geschiktheid der administratie om recht te spreken vgl. Buys, De Grondwet II p. 331, en Levy, Admin. Rechtspr. passim, o.a. p. 125. — Vgl. ook de polemiek in W. B. A. 2757, 2759 en 2760 tusschen Humalda v. Eysinga en de Redaktie, naar aanleiding van VV. B. A. 2755 (vgl. Vos, Admin. Rechtspr.p.233). — Vgl.

Sluiten