Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVIt.

601

e. Naar art. 84 van het 0ntrc.-1905 Wetb. v. Aclm. Rv. zal de klacht bij den administratieven rechter, wil zij ontvankelijk zijn, moeten steunen op de bewering dat de administratie onwettig handelde. Dat door dit artikel, genomen in verband met artt. 184 en 185 (vgl. ook artt. 172 en 173, alsmede § 6 der Mem. v. Toel.) de beleidskwestie niet wordt opgelost, volgt uit het hierboven p. 562 in de tweede noot tegen Tezner opgemerkte; zie ook W. 8810 p. 1 en Reuyl in R. Mag. 25 p. 278. — Ook genoemd art. 84 laat ruimte voor de boven t. a. p. gestelde vraag of, waar naar de redaktie der wet van de wenschelijkheid eener bestuursdaad voor het algemeen belang, de rechtmatigheid dier daad afhangt, — de rechter ook die wenschelijkheid zal hebben te onderzoeken. En daaromtrent kan wel niet gesproken van een ongeschreven regel van staatsrecht, als hierboven onder A sub b (3°) is aangenomen voor de tegenwoordige rechterlijke macht. Maar, gelijk reeds zooeven p. 596—600 is aangeduid, geldt overigens wat onder A sub b (2°) is uiteengezet, ook hier, — en hetzelfde is het geval met het gezegde aldaar sub (1°) en sub c >). Meer dan eens zal het kunnen voorkomen dat een administratieve wet de uitdrukking „naar het oordeel van" enz., of een soortgelijke, niet gebruikt, — en toch niets anders bedoelt; dit, doordat er geen aanleiding bestond voor den wetgever om te doen uitkomen dat het eindoordeel moest zijn bij de administratie, nu het aan deze vanzelf verbleef bij gemis

de uiting der politieke of religieuse denkwijs van den rechter. En daarom zal na. i. zelfs wie zich met een bepaalde beslissing vereenigt wat haar materieelen inhoud betreft, toch bezwaar er tegen kunnen hebben dat de rechter ze geeft. Niet zijn taak, maar die van Regeering, Volksvertegenwoordiging en openbare meening moet het zijn op dit gebied te waken tegen misbruik van macht. Of zou men soms denken dat de medestanders der in het ongelijk gestelde partij bij zulk een beslissing zich gewilliger zullen neerleggen omdat zij van den rechter komt?

!) Te letten is daarbij ook op het t. a. p. blz. 504 nt. '2 en blz. 581 nt. 1 opgemerkte. — Ondersteld wordt hier sub e dat het systeem, neergelegd in artt. 2 6, 46 a en b, 61 a en b, en 83 a en b R. O. naar het Ontw. II 1905 niet wordt gewijzigd.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 38*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten