Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

605

Ligt het motief van dit art. 2c in het gevaar, voor de goede behartiging der bestuursbelangen van rechterlijke inmenging te

tusschen noodzakelijkheid en andere wenschelijkheid. In het algemeen gelden de argumenten ten opzichte van de laatste ook voor de eerste, en schijnt de controle van hooger administratief gezag (respektievelijk een regeling als aangeduid hierboven p. 596, in het slot der noot bij p. 595) in deze voldoende, vooral als daarnaast staat een bepaling gelijk is voorgeslagen op p. 558 nt. 2.

Eveneens zal de zooeven bedoelde administratieve controle in den regel wel volstaan om te waken tegen tastbare blunders der administratie, zooals waar deze iets onmogelijks voorschrijft. Vgl. als voorbeeld daarvan de zaak, berecht door het Preuss. Oberverwalt. Gericht 25 Febr. 1902 Entscheid. 41 p. 419 (425— 427). Zie ook het arrest van 14 Maart 1907 1.1. 50 p. 370 (372). Wat het eerstbedoelde arrest betreft, geldt trouwens steeds : a 1'impossible nul n'est tenu, en onmogelijke voorwaarden maken een rechtshandeling nietig. Die beginselen heeft ook de administratieve rechter toe te passen, zonder dat hij daartoe behoeft te treden in een onderzoek der wenschelijkheid van den administratieven maatregel, — al volgt uit zijn beslissing dat deze iets onmogelijks wil, vanzelf het onwenschelijke er van.

Iets anders is het, waar de administratie meent naar eigen goedvinden te kunnen optreden, doch dit werkelijk niet mag. Of dit zoo is, heeft de rechter te beoordeelen ; vgl. bij Fi.eineu 1.1. p. 9—12 de kritiek der daar geciteerde Wurtembergsche jurisprudentie, welke kritiek slechts in schijn de hierin den tekst voorgestane opvatting, doch inderdaad treft een onjuiste toepassing daarvan.

Herinnerd worde hier nog eens dat het onderzoek der vraag, of een administratieve gedraging zeker algemeen belang betreft, niet opgaat in dat naar haar wenschelijkheid voor dit belang; vgl. hiervóór no. 5 sub e.

Het eerste lid van het voorgedragen art. 2 c R. O. stelt een uitzondering, voor het geval dat grof verzuim van het algemeen belang den rechter aannemelijk wordt gemaakt. Dan vervalt voor hem de reden voor onthouding. Immers is dan kwalijk denkbaar belemmering der administratie in de goede vervulling harer taak door zijn inmenging. Zulk grof verzuim zal — althans in den regel — ook aanwezig zijn daar, waar de administratie inderdaad willekeurig optrad, waar niet haar oordeel over de eischen van het algemeen belang, maar andere motieven haar hebben geleid. Vgl. ook hierboven p. 581 in den tekst ert nt. 1 aldaar.

Overigens is het duidelijk dat een bepaling als bedoeld art. 2 c niet in den weg staat aan een klacht wegens onwettigheid der administratieve beschikking op andere punten dan die in dat artikel aangeduid. Dit schijnt te zijn miskend door Tezner, Zur Lehre p. 78 v. o.

Wat betreft het tweede lid van art. 2 c, de praktijk zou moeten leeren, in

Sluiten