Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. •— Alg. Begins. XVII.

607

Reeds wegens art. 2b R. O. naar het Ontw. 1905, en voorts wegens bovenstaand art. 2c is het m. i. aan te bevelen in de wet R. O. in te voegen b.v. een art. 29a, aldus luidend: De in artt. 1 en 2 van het Wetb. v. Adm. Rv. ') gegeven omschrijvingen gelden ook voor de toepassing dezer wet.

Het hierboven gezegde is in overeenstemming met de opvatting van v. Lemayer in Grünhut's Zeitschr. 22 p. 460, inzoover deze de doelmatigheidsvraag daar voorbehouden acht aan bet eindoordeel der administratie, „wo die Richtschnur für das administrative Yerfahren lediglich nach der administrativen Aufgabe bestimmt wird". Zie ook Yos, Admin. Rechtspr. p. 298—302 (W. B. A. 2779) jis. p. 320—321 (W. B. A. 2783 p. 2), en Kan in R. Mag. 16 p. 366, waarbij vgl. p. 358—359 en 367. — Tegen v. Lemayer : Tezner, Die deutschen Theorieen p. 268 in nt. 141; vgl. echter ook 1.1. p. 112—1132). Verder Stier-Somlo (p. 461 biervóór geciteerd) p. 505 —506 jis. p. 512—513, en Fleiner (p. 453

der openbare orde moeten wettigen; zie Kan in R. Mag. 16 p. 340—341. Vgl. ook art. 22 sub 2° a Ontw. Pandhuiswet, Bijl". Hand". Tweede Kamer 1908— 1009 no. 277 (2°) en de Mem. v. Toel. daarop, 1.1. (3°) p. 9. — Art. 12 der Hinderwet, zou in bedoeld art. 2 d R. O. in. i. slechts zijn te noemen met een restriktie ten opzichte der openbare gezondheid, enz.; zie de vorige noot, op p. 604.

1) In art. 2 b R. O. zou m. i. evenals in het boven voorgestelde art. 2 c (zie de toelichting daarop p. 604 in de noot) — «gedragingen» kunnen gelezen in plaats der daar gebezigde redaktie: besluiten, enz. Geschiedt dit niet, dan moeten m. i. ook de artt. 3—9 en 11 lid 1 van het Wb. v. Adm. Rv. toepasselijk verklaard voor de wet R. O. Hierbij is dan op te merken dat art. 8 van het Wb. v. Adm. Rv. een definitie geeft van wettelijke voorschriften, die niet belet dat in art. 1 R. O. de uitdrukking «wettelijke bepalingen" de beteekenis behoudt, welke zij thans heeft; vgl. op art. 1 R. O. sub F.

2) Tezner wijst daar op de angstvalligheid, waarmee in Oostenrijk de admin. rechter te werk gaat, zoodat er soms twijfel rijst aan zijn reden van bestaan. Dit uiterste is evenmin gewenscht als het andere: het belemmeren der administratie door rechterlijke bemoeiing met het administratief beleid. Het ontstaat, gelijk Tezner opmerkt, juist om dit laatste euvel te ontgaan. Maar is het dan niet beter een middenweg te kiezen, waarbij geen vrees behoeft gevoed dat de rechter in een dezer twee uitersten vervalt?

Sluiten