Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

608 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

hiervóór geciteerd) p. 221). — Over deze kwestie zie voorts, behalve de verdere litteratuur, in het volgend no. 23 vermeld, speciaal nog: Reuyl in R. Mag. 10 p. 203—206,1.1.14 p. 72—78, en 1.1. 25 p. 250 —251, p. 278—282, waarbij vgl. Vitringa 1.1.19 p. 567—569. Ook Roëll en Oppenheim 1.1. 18 p. 192—193 en 1.1. 21 p. 10—13, 17 -18, 46—49, p. 93 sub 13o, p. 101 sub 25» ad b, p. 109 en 131; v. Idsinga, Adm. Rechtspr. I p. 64. Vgl. nog de hierboven in de noot op p. 597—598 genoemde litteratuur, en de hiervóór op p. 515 in de noot geciteerde oud-Hollandsche schrijvers. Zie voorts 0. B&hr, Der Rechtsstaat p. 61—62; O. Mayer, Deutsches Yerwalt. Recht I p. 165 v. o. en 193—194, en vooral v. Lemayer, 1.1. p. 452—455 jis. p. 446— 447 en 460—463.

f. Opzettelijk is hierboven overal enkel gesproken van de doelmatigheids- of beleidskwestie, van de vraag omtrent rechterlijke beoordeeling der wenschelijkheid van eenige gedraging van het administratief gezag, — zonder tevens te behandelen die in hoever aan het eindoordeel van dit gezag ook moet verblijven de beslissing over de aanwezigheid, van louter feitelijke omstandigheden. Daaromtrent zie de volgende § 3, en speciaal no. 45. Hier moet er echter op gewezen dat er soms nauw verband bestaat2) tusschen deze twee overigens onderling verschillende vragen, wat zeker wel de aanleiding is, dat zij veelal niet zijn uiteengehouden3). Doet men dit wèl, dan blijkt dadelijk dat de redenen, die voor onthouding des rechters pleiten ten aanzien

1) Deze spreekt daar over het algemeen belang bij onteigening, maar wat hij zegt geldt m. i. ook buiten die materie.

2) Vgl. als voorbeeld artt. 12 en 13 der Vreemdelingenwet van 1849, waarover zie hierna p. 643 en de tweede noot aldaar. — Er zijn ook twijfelachtige gevallen; zoo kwesties over de bouwvalligheid van een huis (no. 34 hierna), het gevaarlijke eener inrichting of van een dier (vgl. Hartzfeld in Themis 1901 p. 510).

») Zie hierbij W. B. A. 3109 over de Pruisische wetgeving, en 3112 de Mem. v. Toel. op de Beiersche wet over de admin. rechtspraak; vgl. ook O. Mayer, D, Verwalt.recht I p. 192—194,

Sluiten