Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleicl. wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

609

der beleidskwestie, niet of slechts bij hooge uitzondering gelden voor de beslissingen omtrent feitelijke omstandigheden. En tevens komt dan uit dat niet reeds door het gebruiken van een term, die aan de beleidskwestie herinnert, die vraag zelf in het spel is1). Of b.v. iets wenschelijk is ter wille van, of gevaarlijk voor de openbare orde behoort tot de doelmatigheidsvraag, — maar niet, of de openbare orde is gestoord2).

In de litteratuur is herhaaldelijk verzuimd ten deze behoorlijk te onderscheiden, wat m. i. niet weinig tot spraakverwarring heeft bijgedragen. Vgl. b.v. Buys, de Grondwet I p. 325—326, II p. 327—328, 332, en in Hand. Jur. Vereen. 1891 I p. 83—94. Tegen diens zienswijze wat betreft de vraag naar de feitelijke

!) Vgl. ook Krabbe, Admin. Rechtspr. p. 99—101.

2) Daarom zou het ook volstrekt niet inconsequent zijn (zooals Kan meent in R. Mag. 16 p. 341 met de noot 1), indien toegelaten wordt rechterlijk onderzoek naar de vraag of art. 22 wet 22 April 1855 Stbl. 32 terecht is toegepast, — en niet ingevolge artt. 28 no. 5 of 39 no. 4 Drankwet 1904, tekst Stbl. 235 (vgl. art. 9 no. 3 wet 1881 Stbl. 97), of feiten, die zich voordeden in een lokaal met drankvergunning of verlof, de vrees wettigen van gevaar voor de openbare orde bij voortduring der vergunning (verlof). De eerste kwestie is van geheel feitelijken aard, — bij de tweede gaat het om hetgeen wenschelijk is voor de openbare orde. Echter is hiermee niet gezegd dat er voor den wetgever geen reden kan zijn om in dit geval der Drankwet een uitzondering te maken op het algemeene beginsel; vgl. hierboven p. 606 nt. 1.

Overigens worde er op gewezen dat het onjuist is in deze te spreken van het al dan niet toelaten van rechtspraak over de uitvoering van een bepaald wetsartikel. B. v. zal wel niemand betwisten dat het tot de taak van den admin. rechter moet behooren om na te gaan, of soms een vergunning ingetrokken is wegens feiten, die buiten de in de Drankwet bedoelde lokaliteit plaats hadden.

Over art. 22 der wet van 1855 Stbl. 32 vgl. nog G. A. v. Hamel in T. v. S. I p. 289. Naar aanleiding van het daar gezegde mag m.i. gevraagd, of het wel kwaad zou kunnen, als de politie hier niet optreedt, ingeval zij twijfelt of de openbare orde is gestoord, en of het niet bedenkelijk zou zijn haar het eindoordeel op dit punt over te laten?

Een geheel feitelijke vraag is b.v. ook die, in Pruisen behandeld (Oberverwalt.Gericht 4 Mei 1906, Entscheid. 49 p. 419), of in een vergadering openbare aangelegenheden zijn besproken.

38

Sluiten