Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet. R. O. — Alg. Begins. XVII.

611

burgerlijken rechter artt. 677 en 1412 B. W.; zie hierboven p. 567 de tweede noot; vgl. ook de de jurisprudentie op de genoemde artikelen, speciaal het slot van H. R. 15 Nov. 1894 W. 6582, R.spr. 168 § 80, v. d. Hon. B. R. 60 p. 318, P. v. J. 1894 no. 99. Voor den administratieven rechter zie artt. 147 lid 2 en 281 lid 1 Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv. en de Mem. v. Toel. op dit laatste artikel, waarbij vgl. het Advies van den Raad van State en het Rapport van den Min. v. Just. op artt. 70 lid 2 en 202—209 oorspronkelijk Reg.-Ontw. I. Het is te verwachten dat de rechter bij de toepassing dier artikelen zich door de administratie zal laten voorlichten '). — Zoo zou ook, bij invoering van vernietiging van administratiefrechterlij ke uitspraken mede op gronden van overwegend algemeen belang (vgl. hierboven p. 595 nt. 1), de rechter die gronden hebben te onderzoeken. Van dit onderzoek echter zou niet kunnen gezegd dat het de administratie in haar bedrijf kon belemmeren; veeleer zou het een tegenovergestelde strekking hebben. En daar de rechterlijke uitspraak slechts behoort opgeheven, als de rechter zich vereenigt mot de zienswijs der administratie, wier advies in deze hem vanzelf niet zou ontbreken, kan tegen zulk een regeling geen argument geput uit 's rechters ongeschiktheid voor deze waardeering. — Evenmin zou dit m.i. opgaan tegen hetgeen werd voorgeslagen in de tweede noot op p. 558; zie ook hierboven de noot op p. 596—597.

beoordeeling hem in bedoelde onderstelling door de wet slechts worden opgedragen in speciale gevallen, waarin 's rechters inmenging geen verwarring in het bestuur tengevolge zal hebben.

Zonder wettelijke opdracht mag de rechter b. v. ook niet aan partikulieren maatregelen voorschrijven, die hij wenschelijk acht in het algemeen belang; vgl. het arrest van het Hof v. Cass. in België van 8 Jan. 1906 Pasicrisie'belge 1906 Cour de Cass. I p. 79.

x) H. v. Groenendael, Admin. Rechtspr., diss. Utrecht "1906 p. 408—409, meent dat art. 281 lid 1 van het Ontw. I 1905 een inconsequentie is in het stelsel dat de rechter geen belangen heeft te beschermen, die niet zijn gewaarborgd door het objektieve recht. Echter bedoelt dit stelsel enkel: wél dus gewaarborgde belangen te beschermen tegen inbreuken van de administratie; terwijl het in art. 281 geldt de bescherming van het algemeen belang tegen de individuen.

Sluiten