Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

612 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

Bij het hier gezegde vgl. ook Reüyl in R. Mag. 14 p. 69, en hierboven p. 561. Zie mede voorbeelden van speciale gevallen bij v, Idsinga in Bijdr. St.-best. 29 nt. 2 op p. 394—395, en bij Roëll en Oppenheim in R. Mag. 21 p. 104 sub 36°.

Afzonderlijke overweging verdient de vraag, inhoever gewenscht is onderzoek van het administratief beleid door den administratieven rechter in een eisch tot schadevergoeding, waarop b.v. de zooeven geciteerde noot bij v. Idsinga betrekking heeft. Dit punt is echter ondergeschikt aan de materieele regeling der gehoudenheid tot die schadevergoeding. Hier worde enkel opgemerkt dat, als de rechter slechts onderzoekt of de aangevallen gedraging (het wèl of het niet handelen), gezien van het standpunt dat de administratie bij gelijke omstandigheden in het algemeen inneemt, was die van een goed administraat, — zonder dat hij eigen inzicht over hetgeen wenschelijk is voor het publiek belang stelt boven het zooeven bedoelde der administratie in het algemeen, — het genoemde onderzoek m.i. zeer wel vereenigbaar is met het hierboven uiteengezette ').

C. Met het vrije goedvinden of eindoordeel van de administratie moet niet op één lijn gesteld dat, hetwelk den rechter zelf toekomt. Het „freie Ermessen" van den laatste heeft in den regel een ander objekt dan dat der administratie. Is het bij deze in de eerste plaats gericht op haar hoofdtaak, de behartiging van het algemeen welzijn, — grondtoon bij de rechtspraak blijft beslissing van geschillen, of, wil men, rechtsverwezenlijking in den vorm eener uitspraak omtrent hetgeen rechtens is, — dit hier nu genomen in den ruimen zin, die, waar het positieve recht zwijgt, ook omvat de beslissing naar algemeen erkende beginselen van rechtvaardigheid.

i) Vgl. hierbij O. Mayer, Deutsches Verwalt.recht I p. 193—194, en Tezner Die deutschen Theorieen p. 250 nt. 103. Zie ook T. 1.1. p. 290 v. b. jis p.246—247 en 250 v. o. Tezner's opvatting dat niet moet gevraagd, of is gehandeld zooals een goed administraat, maar zooals een fatsoenlijk mensch betaamt, kan hier niet nader worden besproken. Vergis ik mij, als ik aanneem dat zij, althans bij een administratie gelijk de onze, vrijwel tot gelijke resultaten leidt als die, hier in den tekst aangeduid?

Sluiten