Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

613

Vgl. over het „freie Ermessen" in de strafrechtspraak StierSomlo (p. 461 hiervóór geciteerd) p. 457 — 463; over dat in de burgerlijke rechtspraak 1.1. p. 463—481, waarbij vgl. p. 481—498 jis. p. 513 v. o.—514; over dat in administratie en administratieve rechtspraak 1.1. p. 498—512. Zijn geheele opstel heeft tot titel: Das freie Ermessen in Rechtsprechung und Yerwaltung. Over het verschil tusschen het „freie Ermessen" bij administratie en justitie vgl. 1.1. p. 490 v. o., 493, 496 midd., 498—501, 508—509 midd., 512 v. o.—513 v. b. (te letten op p. 501 nt. 1). — De administratieve rechtspraak stelt hij in deze gelijk, niet aan de overige rechtspraak, maar aan de administratie; zie 1.1. p. 509— 511 ja. p. 513 midd. Dit is naar het schijnt een gevolg van de Pruisische inrichting der lagere instanties bij eerstgenoemde rechtspraak (vgl. 1.1. p. 509). Zie 1.1. p. 512 v. b. voor de onzekerheid juist op dit punt uit die inrichting volgend; vgl. ook hierboven het slot der noot op p. 598.

Bij het bovenstaande vgl. ook Bernatzik, Rechtsprechung p. 37—38 en 41—42, en O. Mayer, Deutsches Yerwalt.recht I p. 164—167.

In dit hoofdstuk XVII wordt overigens behandeld het al dan niet onttrokken zijn van eenig punt aan 's rechters oordeel, omdat het eindoordeel behoort bij een ander, en hiervan is vanzelf geen sprake bij het z.g. freie Ermessen van den rechter'). Vgl. p. 519 nt. 1.

Intusschen is er tot op zekere hoogte analogie tusschen de gevallen, waarin een bepaald punt is onttrokken aan bet oordeel van den rechter in het algemeen, en die, waarin het is onttrokken aan dat van een hooger rechter; vgl. hierna no. 66.

D. Bij dit no. 22 zie ook hiervóór p, 58—59 en p. 225—226.

33. Ter orienteering volgt hier een opgaaf der voornaamste

!) Dooi' voorstanders eener ruime bevoegdheid van den administratieven rechter in de beleidsvraag, wordt soms er op gewezen dat de rechter, ook de burgerlijke, vaak heeft te beslissen naar eigen «Ermessen». (Zoo b.v. Friedriciis in Verwalt.-Archiv 6 p. 302). Maar dit heeft niets te maken met de kwestie inhoever hij het «Ermessen» van anderen heeft te eerbiedigen. Vgl. hierbij ook Bornhak, Preuss. Staatsrecht I (1888) p. 542—543.

Sluiten