Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Mg. Begins. XVII.

619

in W. 5456 p. 4. Zie ook diens bestrijding van gemeld vonnis in zijn geschrift, Een vonnis van den Kantonrechter te 'sGrav. (1887) p. 22—35, waartegen Red. in W. 5563 p. 4 en L. de Hartog in Bijdr. St.-best. 29 p. 441—445. Deze meent (1.1. p. 443—444), mede met beroep op de geschiedenis van het artikel, dat de terminologie „noodig is te achten" in art. 254 oud, het eindoordeel omtrent de daar bedoelde evenredigheid voorbehield aan het administratief gezag. Ygl. verder P. L. Moens in W. 5475 p. 3—4 en Léon—Vos no. 1 op art. 254 Gem.wet.

De tegenwoordige redaktie van art. 254 („goedgekeurd" in plaats van „geheven", zie ook art. 126 sexies Prov. wet — vgl. p. 620 sub c) schijnt voor dat artikel de kwestie te beslissen in den zin der oude jurisprudentie *). Deze behoudt echter waarde, zoowel voor art. 240 nieuw Gem.wet, als eventueel voor soortgelijke gevallen. — Ygl. hierbij, speciaal ook over art. 240 Gem.wet, Red. in W. B. A. 3090, instemmend met het boven geciteerde arr. H. R. van 1886.

b. De redaktie van art. 24S lid 1 oud Gem.wet had analogie met die van art. 254 lid 1 dier wet, waaruit een argument kan geput om voor beide bepalingen hetzelfde aan te nemen, wat betreft, de vraag of het eindoordeel was overgelaten aan het administratief gezag. Ten opzichte van genoemd art. 243 is aldus beslist: De vraag of zekere grondslag eener gemeentelijke inkomstenbelasting, is een maatstaf, en dan een redelijke grondslag van het inkomen, betreft de innerlijke waarde of billijkheid der verordening, en mag dus niet door den rechter beoordeeld. — Zoo Hof Amst. 25 Sept. 1891 W. 6113, P. v. J. 1891 no. 86, G.st. 2102, W. B. A. 2224, vernietigend het implicite in anderen zin gewezen vonnis van Rb. Utrecht 19 Juni 1889 W. 5752, P. v. J. 1889 no. 79 (78), G.st. 1996, W. B. A. 2109. — Hierbij

x) Wel is, als een verordening wordt goedgekeurd zonder dat is voldaan aan hetgeen art. 126 sexies Prov.wet, respektievelijk art. 254 Gem.wet vereischen, de goedkeuring onwettig, maar die onwettigheid behoeft daarom geen nietigheid der goedkeuring en als gevolg daarvan krachteloosheid der verordening mee te brengen; vgl. p. 473 sub b.

Sluiten