Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet li. O. — Alg. Begins. XVII.

621

2825, W. B. A. 2972, en H. R. 23 Dec. 1870 W. 3279 p. 1—2, R.spr. 96 § 31, v. d. Hon. G. Z. 25 p. 332, G.st. 1008, W. B. A. 1153, de cassatie verwerpend tegen Hof N.-Brab. 19 Maart 1870 W. 3442, G.st. 1075, waarbij was bevestigd Rb. 's Hertog. 17 Maart 1869 W. 3448, R. B. 1869 p. 525, W. B. A. 1048 en 1196. Dit laatste vonnis overwoog dat bij een andere opvatting de funktie der administratie ten deize zóó zou worden belemmerd dat zij in den regel haar doel zou missen. — Het geciteerde arrest van den H. R. is gewezen op de nog niet herziene Armenwet van 1854, doch heeft belang behouden voor geschillen, als berecht door het genoemde vonnis van Rb. Utrecht, dat bij vergissing den tekst der wet van vóór 1870 aanhaalt; zie nu art. 72b der wet in de tegenwoordige redaktie. — In gelijken zin als de H. R. onder de ongewijzigde wet van 1854: Rb. Amst. 31 Maart 1858 W. 1955, R. B. 1858 p. 257, R.spr. 60 § 59, G.st. 348, en Ktg. Oss 2 Dec. 1857 W. 2082, G.st. 410. — Zoo ook G.st. 348 p. 3 en 352 p. 2—3, alsmede W. B. A. 481. Vgl. ook L. J. H. Bouman in Bijdr. St.-best. 3 p. 318—319 ja. p. 320 v. o. — Anders dan voormelde beslissingen: Rb. Zutphen 5 Nov. 1868 W. 3138, G.st. 908, W. B. A. 1026, aannemend dat art. 22 Armenwet slechts hoogere administratieve beslissing uitsluit. Insgelijks B. in G.st. 351 p. 3-4, en Ged. St. Geld., vermeld in W. B. A. 455 en G.st. 336 p. 3 kol. 2. Zoo ook onder de vroegere wetgeving Rb. Maastr. 12 Jan. 1854 W. 1581, R. B. 1855 p. 59.

Het hierboven aangehaalde vonnis Rb. Utrecht van 1905 overwoog dat armenzorg is een uitvloeisel van het publiek karakter van een armbestuur, en dat daarom de vraag naar de noodzakelijkheid van onderstand behoort bij de administratieve macht (implicite: en niet bij den rechter). Dit argument is echter zonder beteekenis, ingeval de bedoelde vraag voor den rechter praejudicieel is in een geschil te zijner competentie. Of zij dit zijn kan, hangt m. i. in de eerste plaats af van de opvatting, die men heeft over art. • 52 Armenwet, als omvattend öf allen verleenden onderstand, öf wel enkel, die krachtens artt. 21 en

Sluiten