Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

622

Inleid, wet Ti. O. — Alg. Begins. XVII.

22 mocht worden verleend. En, volgt men de laatste zienswijs, dan beslist in de tweede plaats de strekking, toe te kennen aan art. 22, als hetzij slechts bedoelend dat bij geen hoogere administratieve autoriteit kan geappelleerd van het besluit van het armbestuur, — dan wel. dat aan het eindoordeel van dit bestuur de kwestie deinoodzakelijkheid is overgelaten. Zie hierbij ook Francken, "Wet van 28 Juni 1854, p. 297 en 299 voor artt. 21 jo. 22, — en voor art. 52 vgl. het nu ingetrokken art. 41. — Opmerking verdient nog dat er hier een geval aanwezig schijnt, als waarvan v. Lemayer in Grünhut's Zeitschr. 22 p. 461 v. b. spreekt,—n.1. dat van een vereischte, hetwelk niet op zich zelf kan worden geconstateerd, doch enkel in verband met de taak der administratie. Daarin acht v. Lemayer een grond gelegen om het geschilpunt voor onttrokken te houden aan rechterlijke beoordeeling.

Het boven geciteerde arrest Hof N.-Brab. van 1870 overwoog nog dat de rechter wèl kan onderzoeken, of iemand van arm vermogend is geworden. Op dit punt vgl. M. Seydel, Bayer. Staatsr. II, 2e ed. (1887) p. 441 nt. 2, en in Hirth's Annalen des deutschen Reiclis 1885 nt. 8 op p. 235—236.

Bij de hier vermelde jurisprudentie vgl. ook Rb. Rott. 27 Juli 1881 W. 4687, R. B. 1881 D p. 96 — op overweging dat de rechterlijke macht niet kan beoordeelen, inhoever iemand behoefte heeft aan, en aanspraak maken kan op kerkelijke bedeeling, — een vordering strekkend tot het verleenen van zulke bedeeling ontzeggend.

58 S. a. Uit de bepaling eener gemeenteverordening dat niemand na zeker uur in een herberg mag vertoeven, uitgezonderd zij, wier tegenwoordigheid daar noodzakelijk is, ter beoordeeling van den Burgemeester, volgt dat, blijkt niet dat de Burgemeester bedoelde noodzakelijkheid aanwezig achtte, het verbod is overtreden, — zoodat dan de rechter, en niet de Burgemeester, oordeelt over de strafbaarheid. — Zoo virtualiter het slot van het arr. H. R. 7 Maart 1898 W. 7092, R.spr. 178 § 36, v. d. Hon. G. Z. 44 p. 9, P. v. J. 1898 no. 24, G.st. 2433, W. B. A. 2546, contra O. M. Het O. M. was van meening dat de verordening de beoor-

Sluiten