Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet Ti. 0. — Alg. Begins. XVII. 625

virtualiter H. R. 15 Juni 1903 W. 7953, R.spr. 194 § 32, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 359, P. v. J. 267, G.st, 2717, W. B. A. 2837. — Anders Ktg. II Amst. 19 Sept. 1901 P. v. J. 159, W. B. A. 2760, welk vonnis dezo bepaling achtte te bevatten ongeoorloofde delegatie van wetgevend gezag. In dien zin ook G.st. 2876 sub 1°. Intusschen is er hier wel sprake van het oordeel, doch niet van een bevel, van den wil der politie, zoodat er m. i. ook niet kan zijn delegatie van wetgevend gezag. Zoo dan ook H, R. 9 Juni 1908 W. 8728, R.spr. 209 § 24, P. v. J. 797 (op het eerste cassatiemiddel). — Wel echter kan gezegd dat het uit een legislatief oogpunt bedenkelijk is, iemands na de overtreding to geven oordeel als element te stellen van de strafbaarheid. Daarmee is de rechtszekerheid allerminst gediend, en het schijnt kwalijk overeen te brengen met de gedachte, die aan art. 1 lid 1 Swb. ten grondslag ligt, al is het met die bepaling zelf niet in strijd. Vgl. in dien geest, over een soortgelijk voorschrift eener gemeenteverordening, Ged. St. Z.-Holl. in W. B. A. 3036 p. 2 kol. 1. — Zie over het arr. H. R. van 15 Juni 1903: G. A. v. Hamel in T. v. S. 17 p. 417—423, wiens bestrijding (vgl. 1.1. p. 420) ten onrechte aanneemt dat er hier sprake was van het nakomend oordeel der politie als bestanddeel der (verboden) handeling, hetgeen inderdaad ondenkbaar zou zijn. Dit oordeel was slechts maatstaf voor het al dan niet verboden zijn der handeling, wat m. i. hier niet onlogisch is, al is het ongewenscht (vgl. ook hierna no. 45 sub a). De H. R. mocht de innerlijke waarde der bepaling niet beoordeelen, en daarom is v. Hamel's kritiek van het arrest — waarmee zich vereenigt Red. in W. 8749 p. 1 kol. 3 — m. i. niet gewettigd. Zie overigens v. Hamel's geheele opstel 1.1. p. 412—428. — Vgl. aldaar p. 425—427 een na het arrest van den H. R. gewezen vonnis van Ktg. III Amst. s. d. In dat vonnis wordt gezegd dat het oordeel der politie is een element, welks aanwezigheid vereischt is voor het delikt, zoodat het moet voorafgaan aan de verboden handeling.' Die gevolgtrekking zou juist zijn, als naar de verordening de aanwezigheid van het oordeel vóór de handeling ware vereischt, hetgeen wenschelijk zijn zou,

40

Sluiten