Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

628

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

wel door de bepaling dat onder publieke vrouwen worden verstaan zij, die als' zoodanig op last van den Burgemeester in een register zijn ingeschreven, — dan mag de rechter, als niet bevoegd de innerlijke waarde der verordening te beoordeelen, niet onderzoeken, of de aan den Burgemeester gegeven macht dezen terecht is verleend, dan wel tot willekeur kan leiden. — Zoo H. R. 12 Okt. 1869 W. 3162, R.spr. 93 § 4, v. d. Hon. G. Z. 25 p. 44.

Ygl. hierbij H. R. 26 April 1864 W. 2593, R.spr. 76 § 46, v. d. Hon. G. Z. 21 p. 121, beslissend dat de rechter de feitelijke omstandigheden heeft te onderzoeken, waar de verordening niet uitdrukkelijk ') aan de administratie overlaat het eindoordeel over haar aanwezigheid, hetgeen niet mag worden ondersteld. — In 1869 was dit eindoordeel wèl uitdrukkelijk overgelaten. Maar volgens het arrest van 1864 was toen naar de verordening, vereischte voor haar toepassing het zijn van publieke vrouw. Zie hieromtrent v. Idsinga, Admin. Rechtspr. I p. 63 in de noot, en W. B. A. 1793. Ygl., gelijkluidend aan het door v. Idsinga geciteerde Kon. Besl. v. 26 Sept. 1889 Stbl. 124, ook K. B. 21 Jan. 1893 Stbl". 22.

v. Idsinga 1.1. ziet in het overlaten van het eindoordeel over feitelijke omstandigheden aan een administratief ambtenaar, schepping of distributie van nieuw gezag, — en meent dat dit niet anders kan geschieden dan bij de Rijkswet. Intusschen is het afhankelijk stellen der rechterlijke beslissing van iemands oordeel over zekere feitelijke omstandigheid, geen opdracht van gezag aan dien persoon, die ook geen ambtenaar behoeft te zijn. — Dat de H. R. v. Idsinga's meening op dit punt niet deelt, blijkt uit al zijn in deze § 3 geciteerde arresten, voorzoover op verordeningen betrekking hebbend. — Zie ook Viteinga, alsmede Roëll en Oppenheim, geciteerd hierna in no. 45 sub a.

32. a. Ygl. het p. 344—345 geciteerde arr. H. R. van 24 Dec. 1906, en het daaromtrent t. a. p. opgemerkte.

b. Ygl. het p. 344 (no. 75 i. f.) aangehaalde uit het arr. H. R. van 15 Jan. 1900.

i) Vgl. hiervóór p. 577 v. o.

Sluiten