Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII. 629

33. A.ls een provinciale verordening verbiedt het vervoer van vrachten van zekere zwaarte bij invallend dooiiveer, met bijvoeging dat de tijd, waarop dit verbod telkens zal beginnen en eindigen te werken, wordt bepaald door het in de verordening aangewezen administratief gezag, — dan mag de rechter niet beoordeelen of het administratief gezag, dit doende, op goede gronden zijn beslissing nam, [m. a. w. of er werkelijk was invallend dooiweer]. — Zoo H. R. 15 Juni 1903 W. 7942, R.spr. 194 § 35, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 352, P. v. J. 265, G.st. 2713.

34. Legt de wet de verplichting op om te gehoorzamen aan de aanzegging van het administratief gezag tot herstel of afbraak van een vervallen of bouwvallig huis (édifice menacjant ruine), dan is het oordeel over de bouwvalligheid [het gevaar voor instorting], opgedragen aan het administratief gezag, en onttrokken aan den strafrechter. — Zoo, voor art. 471 no. 5 C. P.: Ktg. Gron. 31 Jan. 1885 R. B. en B. 1885 C p. 162. — In gelijken zin Ktg. I Amst. 26 Okt. 1860 W. 2218, G.st. 479, W. B. A. 598; Ktg. II Amst. 16 Okt. 1854 R. B. 1854 p. 562, en Rb. Rott. 8 April 1848 W. 907, vernietigend een in anderen zin gewezen vonnis van Ktg. Schiedam 13 Jan. 1848 W. 1.1. — Als de hier vermelde jurisprudentie ook de Jonge, Admin. en Just. p. 61. — Anders D. Léon in Themis 1868 p. 30—31 en p. 362—365, alsmede v. Oosterwijk in G.st. 868. — Al is de C. P. in Nederland niet meer van kracht, analoge kwesties kunnen zich ook nu voordoen, en daarvoor blijft de hier geciteerde jurisprudentie belang behouden. Zie ook de (tegen Buys gerichte) opmerking van v. Idsinga in Bijdr. St.-best. 29 p. 398 nt. 1 over Rb. Rott. 17 Juni 1850 W. 1158 '). — Ygl. ook hiervóór p. 207 (no. 10) en p. 256.

') Vgl. hiervóór p. 609—610.

Er is hier echter in hel oog te houden dat dit vonnis niet gold de vraag, of de rechter had te eerbiedigen een oordeel van het admin. gezag over het punt in kwestie. En slechts op bevestigende beantwoording dier vraag berustten metterdaad de in dit no. 34 geciteerde beslissingen, niet op de door v. Idsinga ten deze overigens terecht betwiste ongeschiktheid van den rechter voor het onderzoek, waarom het hier ging.

Sluiten