Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. ■— Alg. Begins. XVII.

631

steunend op de bewering dat aft. 16 der wet van 1855 ten onrechte door Ged. St. was toegepast. — Zoo Hof N.-Brab. 15 Maart 1859 W. 2094 >)• — Vgl. no. 45 sub c hierna.

Zie analoge gevallen in no. 24 hiervóór en no. 52 hierna.

Naar aanleiding van art. 19 der wet van 12 Juli 1855 Stbl. 102 (zie nu art. 62 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176) nam Rb. Utrecht 18 Maart 1896 W. 6807 aan, dat dit artikel over het bestaan der omstandigheid dat een vonnis tegen een waterschap niet kan geëxecuteerd wegens gemis van genoegzame goederen, het eindoordeel laat aan de administratieve macht. Gemeld vonnis overwoog dat een verzet tegen een dwangbevel krachtens artt. 19 jo. 17 lid 2 der wet van 1855 uitgevaardigd — waar dit verzet steunt op de bewering dat niet bleek van het hierboven genoemde vereischte, in art. 19 gesteld —- den rechter plaatste voor de vraag, of Ged. Staten een omslag bevalen zonder dat de noodzakelijkheid daartoe vaststond; zoodat hij, door hiervan kennis te nemen, zich zou moeten mengen in de huishoudelijke aangelegenheden van het waterschap, en dus treden op het terrein der administratieve macht. — De door de Rechtbank op dezen grond uitgesproken incompetentverklaring (vgl. p. 52, no. 40) werd vernietigd door Hof Amst. 4 Maart 1898, t. a. p. vermeld. Op de verwijzing der zaak door het Hof, volgde een vonnis Rb. Utrecht van 28 Dec. 1898 W. 7217, bevestigd door Hof Amst. 11 Mei 1900 W. 7487, waartegen de cassatie is verworpen door H. R. 14 Juni 1901 W. 7619, R.spr. 188 § 24, v. n. Hon. B. R. 67 p. 397, P. v. J. 1901 no. 56. Deze beslissingen staan niet op het in 1896 door de Utrechtsche Rechtbank gehuldigde standpunt, wat betreft de vraag of genoemd art. 19 het eindoordeel over de boven aangeduide omstandigheden overliet aan het administratief gezag. Immers werd nu aangenomen, dat tegen hetgeen dit gezag constateerde, tegenbewijs openstond krachtens art. 17 wet 9 Okt. 1841 Stbl. 42 (zie nu art. 15 wet 9 Mei 1902 Stbl. 54).

]) Voor het vonnis a quo, Rb. 's-IIertog. 30 Juni 4858 zie hierboven blz. 484.

Sluiten