Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

632 Inleid, wet. R. O. — Alg. Begins. XVII.

3 9. Voor het arr. H. R. van 17 of 18 Febr. 1848 zie p. 210 v. o. — 211 v. b., waarbij hier worde opgemerkt dat de t. a. p. geciteerde stelling van dit arrest omtrent het overlaten der beoordeeling van den rechtmatigen oorsprong van een polderbestuur aan het administratief gezag, — niet is af te leiden uit de bepaling der Grondwet van 1840 (art. 220), die de H. R. op het oog had.

38. De vraag of een korporatie, als waterschap door Prov. Staten opgericht, of van een nieuw reglement voorzien, voldoet aan de eischen aan een waterschap te stellen, staat uitsluitend ter beslissing van Prov. Staten [optredend krachtens art. 138 Prov.wet jn. art. 192 Grw. 1848 — nu art. 190 Grw. —], en is onttrokken aan den rechter. Zoo Rb. 's Hertog. 24 Juni 1881 W. 4731. Insgelijks Schepel, Waterschapswetgeving p. 22—31, en G. v. d. Meulen in W. B. A. 2959, beide zich aansluitend bij S. Sijbenga, Oprichting van waterschappen ... (1904) p. 23—28 en 49. In denzelfden geest ook v. Heijnsbergen (p. 348 hiervóór geciteerd) p. 96—97. Anders concl. O. M. vóór H. R. 24 Juni 1892 W. 6208, R.spr. 161 § 27, v. d. Hon. B. R. 58 p. 322, P. v. J. 1892 no. 78, W. B. A. 2252. Zie het arrest zelf.

In gelijken geest als bij bovengemeld vonnis van 1881, is overwogen door Rb. 's Hertog. 30 Juni 1858 W. 2106, alsmede in appèl door Hof N.-Brab. 15 Maart 1859 W. 2094, dat de vraag of één van twee polders, die onder hetzelfde bestuur staan, is een afzonderlijk waterschap, alléén staat ter beslissing van het administratief gezag, — en niet van den rechter, die niet mag treden in een beoordeeling van hetgeen ten aanzien van bestuur en inrichting van waterschappen door het administratief gezag is beslist, wat volgt uit art. 192 Grw. 1848, en o. a. ook uit art. 21 wet 12 Juli 1855 Stbl. 102 [nu art. 18 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176].

Vgl. hierbij Rb. Sneek 22 Juni 1868 W. 3024. en in appèl Hof Friesland 13 April 1870 W. 3226, beide onderzoekend of het eischend waterschap als zoodanig wettig bestond; de Rechtbank op uitdrukkelijke overweging dat de rechter tot dit onderzoek bevoegd is. In deze gold het echter oude historische toestanden, en niet de kwestie of Prov. Staten, optredend krachtens

Sluiten