Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

634 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

het zelfstandig, al kwam hij meestal tot de conclusie dat er werkelijk een waterschap was. Zoo bij het p. 632 geciteerde arrest van 24 Juni 1892 W. 6208, casseerend Rb. Arnhem 19 Nov.

1891 W. 6126, waarbij was aangenomen dat er hier geen waterschap bestond. Vgl. ook H. R. 25 Nov. 1889 W. 5801, R.spr. 153 § 35, v. d. Hon. G. Z. 38 p. 202, P. v. J. 1890 no. 9, W. B. A. 2119. — H. R. 27 Maart 1882 W. 4758, R.spr. 130 § 39, v. d. Hon. G. Z. 33 p. 375, G.st. 1601, W. B. A. 1719 besliste dat een veenschap niet als waterschap kan aangemerkt. Zie over dit arrest, in verband met dat van H. R. 11 Maart 1892 W. 6160, R.spr. 160 § 47, v. d. Hon. B. R. 58 p. 144 en G. Z. 40 p. 47, P. v. J.

1892 no. 46, W. B. A. 2239, — Sybenga 1.1., en Schepel 1.1. p. 31—33.

3». Over de vraag of de rechter zelfstandig heeft te beslissen,

dat zeker water al dan niet is een ivaterleiding of waterlossing, dan wel of hieromtrent het eindoordeel is bij het administratief gezag, dat de liggers vaststelt, — zie p. 363-364, waarbij vgl. A. v. Doorninck in R. Mag. 27 (1908) p. 535 vlgg. — Zie ook no. 49 hierna.

40. De bepaling eener gemeenteverordening op havengeld, dat dit is verschuldigd naar de grootte der vaartuigen volgens meetbrief of, waar deze niet kan vertoond, zóó als die grootte wordt geschat door den Direkteur der haven, waartegen belanghebbende een nadere meting door een rijks-scheepsmeter kan vorderen, — draagt dien Direkteur niet op uitvoering der verordening in den zin der Gemeentewet, maar het constateeren van een feitelijken toestand, ter berekening van het bedrag van het havengeld. — Zoo H. R. 22 Okt. 1906 W. 8447, R.spr. 204 § 6, W. B. A. 3000. — Dit arrest kwalificeerde de weigering tot betaling van havengeld, berekend op schatting van den Direkteur, als ontduiking van plaatselijke belasting. Daarmee is implicite aangenomen de geldigheid der bepaling, waarnaar — bij gemis aan meetbrief — van bedoelde schatting, en dus van het oordeel des Direkteurs (met mogelijk beroep op een rijks-scheepsmeter) het verschuldigd bedrag afhankelijk werd gesteld.

Bij dit no. 40 vgl. hiervóór no. 30 i. f.

Sluiten