Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

637

feitelijke omstandigheid als vereischte stelt, moet dit de iure constituto door den rechter geëerbiedigd '), onverschillig of het uitdrukkelijk is geschied, dan wel implicite. Zie p. 58—59, 225— 226, 256 en 577 v. o., alsmede nos. 28, 30 en 31 hiervóór. Ygl. ook v. Idsinga, Admin. Rechtspr. I p. 61 — 63; Roëll en Oppenheim in R. Mag. 18 p. 190 en 21 p. 50; Vitbinga in R. Mag. 19 p. 575-578.

Bij het door deze schrijvers opgemerkte sluiten zich blijkbaar aan artt. 171—173 OntW. 1905 "Wetb. v. Adm. Rv. met de Mem. v. Toel. Vgl. ook Bijln. Hand". Tweede Kamer 1905—1906 no. 63 (2) p. 9, het advies R. v. St. op artt. 138—139 van het oorspr. ontwerp. — Aan deze artikelen ligt m.i. een juiste gedachte ten grondslag. Het gaat immers niet aan te blijven toelaten dat de lagere wetgevende organen 2) naar believen misbruik maken van hun autonomie, om den waarborg tegen partijdige oordeelvelling, dien rechterlijk onderzoek kan geven, ten opzichte eener bepaalde vraag bij voorbaat op te heffen. En dit kan geschieden doordat zij hun voorschriften zóó redigeeren, dat niet die vraag zelf praejudicieel wordt voor den rechter, doch enkel het oordeel hieromtrent van een in de verordening aangewezen ambtenaar. — Wel is waar kan met goeden grond beweerd dat deze ambtenaar, dit

1) Een toepassing is de beslissing van H. R. 5 Okt. 1908 W. 8752 p. 1 kol. 1—3, R.spr. 210 § 3, P. v. J. 799, over art. 12 sub F I0.j0.30. j. f. K. B. 13 Juli 1906 Stbl. 204 (zie nu echter art. 6 K. B. 10 Aug. 1909 Stbl. 290).

— Vgl. Tezner, Die deutschen Theorieen p. 272—277, speciaal p. 274 sub4,J.

— Omtrent v. Idsinga's meening, vgl. no. 31 hiervóór.

Het hier in den tekst gezegde geldt echter slechts met het voorbehoud: tenzij op speciale gronden kan aangetoond dat rationeele wetsuitlegging dwingt de woorden «naar oordeel van» of een andere uitdrukking van gelijke beteekenis, als ongeschreven aan te merken; zie op p. 578 het slot der noot bij p. 577.

2) Ook bij den Rijkswetgever is gelijk misbruik mogelijk, maar niet zoo waarschijnlijk. Toch moet er tegen gewaakt door hen, die daartoe bij machte zijn. Vgl. hierbij v. Idsinga, Admin. rechtspr. I p. 62—63, en vooral Stier— Somlo (p. 461 hiervóór geciteerd) p. 504. Zie ook hiervóór p. 563 de tweede noot.

Sluiten