Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet B. O.

— AUj. Begins. XVII.

639

onzekerheid, en tot partijdig optreden, ook van een ondergeschikt beambte; vgl. hiervóór no. 28. — Zie hierbij Red. in AV. 8749 p. 1 kol. 2—3 ja. p. 2 kol. 2 met nt. 2 en jo. W. 8747 p.' 1 nt. 1. Ygl. echter ook, in anderen zin, J. P. A. N. Caroli in AV. 8752 p. 3 kol. 3. Diens argument, dat zoowel Ged. Staten als B. en AV. ook rechtspraak uitoefenen, kan geen verdere strekking hebben dan tot verdediging-van bepalingen, die een bepaalde omstandigheid aan het eindoordeel van deze colleges overlaten. Overigens zegt Caroli zelf aan te nemen dat, waar geen beroep tegen het oordeel van B. en AV. openstaat, het eindoordeel aan den gewonen rechter moet gelaten worden, terwijl hij in hetgeen er t. a. p. volgt, implicite onderscheidt tusschen de funktiën van B. en AV. als administratief rechter, en die als uitvoerend orgaan, tegen welke laatste dan administratieve rechtspraak behoort open te staan. In dien gedachtengang echter blijft wel aan genoemde colleges als administratieve rechters de eindbeslissing op zekere punten '), maar dat is iets anders dan het overlaten van het eindoordeel over een omstandigheid aan de administratie als zoodanig, met uitsluiting van elk rechterlijk onderzoek daaromtrent; vgl. ook hiervóór in de noot op blz. 520.

Uit het hierboven gezegde volgt dat, m. i. althans, de geciteerde artt. 172 en 173 2) Ontw. I 1905 inzóóver te beperkt zijn, als zij enkel gelden voor de toepassing van het AVetb. v. Adm. Rv., en niet b.v. ook voor den strafrechter; vgl. behalve de redaktie der artikelen, ook het opschrift der afdeeling, waarin zij voorkomen. — Aan den anderen kant daarentegen streven de vermelde bepalingen m. i. het doel voorbij, door voorschriften als daar genoemd — voorkomend in andere verordeningen dan koninklijke en provinciale, — alle zonder onderscheid onverbindend te verklaren. Het zou wel is waar moeielijk zijn bij de wet een

!) Vgl. p. 286—299 over de vraag of de burgerlijke rechter hieraan gebonden is, en over die vraag ten opzichte der gebondenheid des strafrechters p. 316—327, speciaal p. 324 sub ee.

2) Valt dit art. 173 niet reeds onder het ruimere art. 172?

Sluiten