Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

642

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

onderzoek hem moet zijn onttrokken, — wat echter m.i. slechts hoogst zelden het geval zal zijn; zie hieronder sub c.

De iure constituendo wil Reüyl in R. Mag. 25 p. 281—282 den administratieven rechter onttrekken de beoordeeling der waardeering door de administratie van feitelijke omstandigheden ten opzichte van eenig in een wettelijk voorschrift genoemd begrip. Deze laatste — m. i. niet zeer gelukkig gekozen — uitdrukking sluit zich aan (vgl. 1.1. p. 280 v. o.) bij het overigens door Reuyl niet ruim genoeg geachte denkbeeld van Arntzenius in Themis 1902 p. 508. Zie daaromtrent het hiervóór in no. 22 B sub f opgemerkte. — M. i. zou het volgen van Reuyl's advies in deze een te groote beperking meebrengen van'srechters onafhankelijk onderzoek. En buitendien zou het allicht tot moeilijkheden leiden, telkens als het in een gegeven geval twijfelachtig is, of enkel de feitelijke toedracht, respektievelijk de wettelijke omschrijving, het te onderzoeken punt is, — dan wel de waardeering der eerste met het oog op de tweede. Het eene gaat soms haast onmerkbaar in het andere over, — gelijk vaak blijkt in cassatie, als het er op aankomt te onderscheiden tusschen al dan niet feitelijke beslissingen, ingeval het niet enkel geldt het constateeren, maar juist het apprecieeren van feiten met het oog op een vage wettelijke omschrijving. Hier nu zou niet slechts deH. R., maar elk administratief rechter voor gelijksoortige moeilijkheden komen te staan.

De zooeven tegen Reuyl's voorstel geopperde bezwaren zouden niet vervallen, al werd zijn formule beperkt tot de waardeering der feiten door de administratie met het oog op hetgeen zij al dan niet wenschelijk acht voor de haar ter behartiging opgedragen (algemeene) belangen. Wel is waar kunnen er gevallen zijn, waarin het oordeel der administratie, dat zulk een waardeering bevat — indien het n.1. in zóó nauw verband staat met de apprecieering der hier omschreven wenschelijkheid, dat het van deze in het geheel niet is af te scheiden — door den rechter behoort te worden geëerbiedigd (vgl. ook hiervóór p. 608 v. o.). En daarom gaat het m. i. te ver, als men die

Sluiten